gedicht uit de vorige eeuw: Nicolaas Joseph Ritzen

Gedichten van NICOLAAS JOSEPH RITZEN

Geboren te Gulpen 06-02-1886 – Overleden te Helmond 10-02-1977


Inhoud

  • Vadergeluk (t.g.v. geboorte Judith Ritzen in1921)
  • Huiskamer poëzie Moedergeluk
  • Huiskamer poëzie Vadergeluk
  • Aan mijn lieve gade ( aan Moeder, overleden 14-03-1972)
  • Als ik, mijn goede breeder (aan Heeroom, overleden 10-04-1946)
  • Heimwee naar het Geuldal (vanuit Lobith…)
  • De Kluize
  • Wij staan te staren naar U, wijde zee…
  • Vrede
  • t Is Winter
  • Mijn kleine merel
  • Had ik honderdduizend monden (lied)

Religieuze poëzie:

  • Advent
  • Maria
  • Golgotha
  • Goede Week-Gedachte
  • In de Vastentijd
  • Vastentijd 1961
  • Pasen

Bij een overlijden:

  • Herinnering (vriend W. Frencken , 1915)
  • Ter nagedachtenis (burgemeester Gijzels, Sittard )
  • Ter gedachtenis Cor Meeuwsen, 8 j.
  • Sonnet, (gewijd aan pastoor-deken v. d. Hagen Helmond 1951)
  • ORANJE, bezettingstijd 1940-1941
  • Kamer 11, tijdens retraite in Spaubeek
  • Aardrijkskunde

Vadergeluk

Gij Lotje,

Mijn dotje,

Wat streelt met je blik;

Je kijkers zo kleurig,

Onschuldig-humeurig

Aanschouw ik met schik.


Gij dotje,

Mijn Lotje

Met krulletjes blond!

Een blos reeds gaat troonen

Op poez’lige koonen,

Op ’t kinnetje rond.


Ziet ’t Lotje

’t lief dotje! –

Vervoerd door haar lach,

Vraag  ‘k of soms die stonde

De in-schattige blonde

Veel engeltjes zag…


Gij Lotje,

Klein dotje

Steeds sla ik je gâ;

Op ’t wichtje zo teeder

Daal’ heden reeds neder

Gods rijkste genâ!


HUISKAMER-POËZIE.

MOEDER!

Ik ken geen beeld aan weeld’ zoo rijk,

Niets grijpt me aan zoo zeer gelijk

Als wanneer ik moeder bezig zie

Met haar vier kleinen aan haar knie


Niets komt zoo bovenaardsch me voor

Nooit gaan mijn zorgen zoo te loor,

Als wen ik vrouwlief bezig hoor

In blij gesnap met ’t kinderkoor.


Het moeder-, kinderhart is één.

Heeft kindje smart, is ’t haar meteen,

Als drong het haar tot stil geween –

Zoo voelt het moederhart alleen . . . .


Het meeste grijpt ‘t moment mij aan,

Zie ‘k moeder aan hun bedje staan,

Daar biddend voor de blonde groep:

Haar hart en houding één geroep.


Is ’t dan tot God, den Lieven Heer:

Hoor, Hemel, zie op het viertal neer.

Bewaar deez’ nacht ze, te allen tijd!

Naar Uwe woon, ze, Heer, geleid!

Sittard


Vadergeluk

Acht oogjes slaan me, t’ochtend gâ,

Ze lachen blij “Goé morgen”

Als vroeg ik aan mijn dagtaak ga,

Me omspannen nieuwe zorgen.


Vier kopjes volgen onverpoosd

Mij daar, waar ik ga zwoegen:

Het zijn die van mijn kleine kroost

Ze doen dan met genoegen


Mij d’ handen roeren dag aan dag,

Bij wind en storm en regen,

Bij d’arbeid nog hoor ‘k leut en lach;

Zoo’n kroost brengt hemelzegen!


En als mijn taak ten einde is

Dan spoed ik naar mijn woning;

(ik voel in mij geen kommernis,

Neen, ‘k voel, in weeld’, mij koning!)


Ik laat dan op mijn knieën rijn

Een drie-viertal kornuiten,

Al zou ik me elk ’t geluk benijn,

Toch leefd’ ik met mijn spruiten!

Sittard


Aan mijn lieve gade.

(overleden 14-03-1972)

Jou zie ik voor me, lieve vrouw,

die ‘k gauw een jaar reeds zal gaan missen,

wat waart ge goed voor mij, zo trouw

in uren ook van doffe duisternissen.


Sinds ge van mij heengingt stemt meewarig

mij je beeld: je pijn, je gang, manieren;

sinds waart, gewoon, je weerom jarig..

in ’t getij, dat geen meerl’ zal tierelieren.


Als ge stil waart, zei mij soms je blik

dat iets je drukte en.. ik dacht me schuldig;

en wéér – in een kortzichtig ogenblik

keert het terug – en gij, ge waart geduldig…

Aarle-Rixtel februari 1973


Als ik, mijn goede broeder…

Als ik, mijn goede broeder, aan je denk

gelukt mijn taak me kwalijk naar behoren

dan raken mijn gepeinzen stereotiep verloren

in ’t ver verleden, als bij stille wenk.


Wanneer ik, broer, je beeltenis beschouw, –

Star blijft mijn blik prompt aan je wezen hangen,

dan voelt in mijn gemoed een vaag verlangen

of hult zich om mijn hart een waas van rouw.


Ook droom ik, maanden reeds, niet zelden van je

in de eerste slaap, gemeenlijk echter laat;

ik hoor je stem dra, zie ’t sereen gelaat,-

éérst ’t vurig oog: diepbruin als een kastanje.


Wat jij dan fluistert, valt in de droom weer weg.

Dies zal ik ’t nimmer kunnen achterhalen…

Een andermaal zwijgt gij in alle talen

hoezeer ik ook het oor te luist’ren leg…

Helmond 7 augustus 1962

(aan Heeroom, overleden 10-04-1946)


Heimwee naar het Geuldal

Hoe droeve verzucht mijn ziele!

Hoe drukt mij het leven zoo zwaar!

Zoo ‘k weldra in mismoed verviele,

Het ware geen wonder, voorwaar!


Het noodlot, dat valsch mij genaakte,

Ontrukte mij wreed aan het oord,

Waar kinderspel m’eertijds vermaakte:

Het plekje van mijne geboort’.


Dáár gleden de stonden in liefde

En vredige vrolijkheid heen, –

Het weinige, dat mij soms griefde,

Verkeerde er in vreugde meteen.


Hier krimpt mij het hart van de wonde

Der scheiding, zoo bloedig en fel;

De slaap, ach, ontvliedt mijn sponde, –

Mij prangt der droefgeestigheid knel.


Fortuna, Verwekster van kommer,

Oòk Brengster van ziele-geneugt,

O voer mij terug naar het lommer

Der linde vóór het huis mijner jeugd.

(1913)


De Kluize

Schoon zijn, Schaesbwerg, uwe lanen,

waar ik ‘s werelds leed ontvlied,

waar vooral me kan bekoren

’t kluisken van de eremiet.


Onder laag geboomt verscholen

ligt het stil en vreedzaam daar,

lief omlijst met groen en bloemen

’t hutjen van de kluizenaar,


’t haag kapelken leunt in eenvoud

tegen de arme schamele kluis,

’t kleine klokje mengt zijn klanken

met der linden loofgeruis.


En zij horen ’t klagend kleppen

die daar wonen diep in ’t dal,

iets als heimwee wekt de stem steeds

in het binnenst van hen al.


Zonnestralen strelen kozend

muur en venstren der kapel,

– gluren schalks ook even binnen

In des kluiz’naars donkre cel.


Rond de kluize zingen zangers

Zacht hun wonderzoete wijs;

binnen prevelt vrome psalmen

kluisbewoner, oud en grijs


schone Schaesberg, kleine kluize,

mijmrend daal ik neer in ’t dal;

’t wondre heimwee, dat gij wektet

lang mijn ziel nog voelen zal.

(1910)


Wij staan te staren

Wij staan te staren naar u, wijde zee,

teerwijl de wind stijft onze broze botten,

en meeuwen zien we in lichtgrijze rotten

soms drijven met die rauwe adem mee.


Wij wanen klein ons bij u, machtige zee,

Met ’t grauw geweld, met witte golven-koppen,

die wij als speelgoed zien? – veeleer als poppen,

naar ruimte reikend of naar veilige ree. .


Als vriend roemden wij u, gij zilte zee.

Maar nù zijn ernstig wij op u verbolgen,

nu duizend levens, in één nacht, gij hebt verzwolgen,

Gij voerd’ hun have mee, hun trots: hun vee.


Gij wist u sterk als nooit. Uw scherpe snee

ging wreed in vruchtb’re, vette boerengronden;

waar met één slag, straks zo veel werd geschonden

dan wel genaast. Gij voelt u Vorst, gij héérst alree. ,.

(02-02-1953 n.a.v. de grote watersnood in Zeeland)


Vrede

Wij zien al hunk’rend uit naar waren Vrede: .

Ben blijkbaar vreemd gezicht op deze aard’,

sinds recht en liefde gruw’lijk werden vertreden

door leiders: d’orde hatend, gansch ontaard.


Wij derven dien zoo lang. Dies stijgt ’t verlangen

naar ‘t her-bezit van ’t diere, dat daald’ uit ’t blauw

des hemels en bij wiens schouwen de zangen

al zwegen, droef ge-uit, in oprecht berouw.


Maar hoe de wereld wacht, – de Vreê blijft verre.. .

nog wil deez’ aard geen hemelstem verstaan,

die allen, àllen wijst naar haar, de Sterre.

die boven Bethlehem lichtend bleef staan.


Naar Christus moet terug de arme, rijke,

de macht’ge ook, die God versmaden dorst;

eerst moet de haat, de zelfzucht gaan bezwijken,

dan treedt ons nader Hij, de Vredevorst!

Helmond


’t I winter…

’t Is winter. Storm gsst, over de landen

en koude en regen zijn hier satelliet.

Heel de natuur is down en toont verdriet – ‘

gekneld als ze is in ’s winters ruwe banden.


De wilde wolken zijn het grauw gordijn “

dat ons het lichte azuur bruut moet verbergen;

zij blijven trekken, zullen lang ons tergen

tot… eens weer Lente komt in ’t oud domein.


Dan is het feest. Dan streelen luwe winden

en roept de koekoek en ’t sijsje in ’t bosch;

dan slaat iets ongeziens weer krachten los

en zal natuur zich blijde weer hervinden.


Zoo zal, na ’t stil, het plots ontvaren

van ’t licht door krijg, die zooveel doodt,

dra weer, van lieverlede, ’t schoone rood

van ’t zon-ontwaken zelfde einders klaren!

Helmond


Mijn kleine merel

Je kweelt weer trouw de wijs van jaren

gefatsoeneerd naar heel moderne trant.

Je keert met rappe wiek hier naar ’t land

Waar steeds je vreugden, je verlangens waren.


Weer speur je in hoge kruin, op lichte tak

of rust en ruimte is voor ene stede;

zoal het lokte in het verleden

zingt teer je keeltje aan weide of aan rak.


Je kent je kleine wereld dra terug

en straks zul jij je opnieuw gaan paren, –

waarheen je hup’len, zoeken, staren;

je voedsel daarbij, graaiend gretig-vlug.


Jij kleine zwerver in je daagse pak,

licht onbewust ben je één met mij!

Ook ik voel telkens weer me innig blij

Als ik, na ’t zwerven, weerzie het oude dak.

Helmond mei 1962


“Had ik honderdduizend monden.”

Had ik honderdduizend monden

zou ik zinnen duizend uit.

Nog zou ik niet kunnen konden

wat wel liefde al omsluit.


Liefde brengt veel vreugd in’t leven 

en zij maakt de aard zo schoon,

liefde schept de zon gedreven,

maakt elk huis tot won, gewoon.


Van de bloemen in de hoven

paars, wit, rood, lila van kleur,

hoe z’ook heten, hoe z’ook schitt’ren,

is de roos ‘t fijnst van geur.


Ja, zij moest de liefde duiden

dies de schepper haar eens schonk

aan aroom en fleur’ge weelde

als in Edens hof niets blonk.


Maak de liefde heel de wereld 

eens tot ‘t heerlijkst paradijs,

ieder vindt dan voor ‘t verhevene

licht een hymne, wis een wijs.


Amor zelf komt bij ons wonen 

dan als god van liefd’ en min.

Zal ons ‘t wonder dan omsluiten,

hoogster liefde, schoonheid, zin.


Nb

Het woord “zinnen” in de 2e regel is geen typfout.


Advent

Weer gaat ons stil verlangen

Naar ’t kribjen en de stal.

Bij het koor van jubelzangen

De Heiland komen zal.


Wij smeken om die Zegen.

Uit het volst van ons gemoed,

verwachtend manna-regen

hemelen zonnig, zoet.


Dat Manna is Gods Zone.

Het vleesgeworden Woord.

Die regen mild ten troe

Vloeit uit de Heilsnacht voort…


Laat uit de slaap der zonden

Ons opstaan. Welvermoed

Breekt aan dra d’ochtendstonde,

Uitstralend glans en gloed!

December 1953


Maria

Marije, Uw naam is als satijn

zo glanzend zacht geweven, –

als goudbrocaat te roemen.

Laat honderdmaal ons daags die groet

herhalen. Met een hart vol gloed

steeds bij Uw naam U noemen!


Uw naam is als een voorjaarswind

zo zoet en vol behagen, –

een lentezucht zo zacht en lijze!

Een zefier, ook omstoeiend de ziel

van wie, ons Moeder, U beviel

door vroomheids diep gepeize.


Uw naam is als een diamant

opmerkelijk van waarde, –

een kroonjuweel, Vorstinne!

Een steen is ’t van eel saffier, [

doch zeker elk nog eens zo dier,

kleinood van gouden zinne.


Uw naam is als een zangakkoord:

Een feest van klanken, fraai gerankt

tot Meimaandsmelodieën,

omhoog gezonden door een schaar’,

in ootmoed, eerbied voor ’t altaar

U biddend op haar knieën.


Golgotha

Diep in rouwe

Thans aanschouwe

Uwen Jezus aan het Kruis!

Zie den Reine,

Vol van pijne,

Hangen tusschen ’t laagst gespuis.


Mensch, o weet he:

Gij, gij deed het,

Gij belaaddet hem met hoon;

         Door uw zonden

Schrijnen wonden

Naamloos-fel Gods een’gen Zoon.


Hoogmoeds-zonden

Wreed omwonden

’t Need’rig hoofd met doornen dicht.

Bloed’ge stralen

Nederdalen

Langs des Heeren Aangezicht.


Uwe boosheid,

Bandeloosheid,

Joeg door ’t Heilig vleesch den bout;

Lage en slechte

Driften hechtten

Naakt hem aan het schande-hout.


‘Beeld van rouwe

Wil aanschouwen

Op de kruin van Golgotha;

Smeek vol weemoed,

Diep in deemoed,

Om vergeving en genâ!

Palmzondag 1913


Goede Week-Gedachte

Wij roemen op Uw Heilig Kruis,

bepeinzen U in kerk en thuis,

lijdende Zaligmaker.

De Redder zijt Ge van ons al;

Van elk die was, die komen zal;

Beschermer en Bewaker.


Wat bracht het ons een heiligend,

Uw verre gang naar Golgotha, –

dat smart’lijkst aller Lijden!

Gij, hulp in onz’ behoefenis,

Gij, troost in onze droefenis,

Die eens men zo kastijdde …


Wat dreef U de Verlossingsdrang!

Wat leedt Ge lang, wat leedt Ge bang –

’t Was mede een Góddelijk lijden.

Hoe pijnigde U der beulen groep

met rietstokslag, met hoongeroep,

…totdat Ge aan ’t Kruis gingt scheiden.


Aan ieder, die op aarde vecht

wordt eigen kruis soms opgelegd,

nu licht, dan zwáár te dragen.

0 Gij, die wéét hoe dàn, benard,

Wij zuchten onder ’t hout van smart,

wil onze moed mild schragen!


In de Vastentijd

De Olijfberg lag ter ruste, slechts

droeve vogelwijzen schreiden door het ruim:

de wind ijlde aarzelend links en rechts:

het was alsof in wijde weelde-tuin


natuur beseft, Wie daar terneer

lag, smartend op de harde grond:

dat Jezus bad tot Hem, zijn God en Heer,

bij wie alleen Hij troost en herde vond.


En toch, des lijdens alsem spoedt

steeds dieper in ’t benauwd gemoed;

Hij vindt de kelk, – ter stee met mirr’ gevuld

zo wrang, dat het Hem sterven doet.


Bijkans. Hier ligt de Godmens als versteend

en voor zijn geest ziel, ver van ’t Vaderhuis

Hij reeds de ruwe balken, hard vereend

Door rauwe handen tot een folterkruis.

Februari 1972


Vastentijd

Het pretlawaai – Aswoensdag deed het stillen,

de napret evenzeer haar einde vond;

de ernst als vrucht van rustige mijmerstond

deed zotheids nasleep met één veeg verkillen.

Toch weet Gij, Heer, van krachten ons verstoken,

kent onze nood, ons zo beperkt verstand,

raakt ons nu aan me Uwe heil’ge Hand –

ontwaart de deugd, nog pril bij elk ontloken.

Heer, laat ons scherven ruimen, naarstig streven

al naar een leven, vol van innige vree;

laat saam ons dees’ genadeweken weven

aan ’t boetekleed voor Hem, Man van Gethsémané.

Trots neveldampen, stormen en ook duister,

trots wolken, die de wijde hemel scheuren,

zal dan die éne zekerheid ons beuren:

Reeds thans straalt Paasfeest door in schitter-luister.

Helmond 26 februari 1961


Pasen

De aarde rees weer uit het graf,

ze lei haar donker doodskleed af –

het Lente-licht kwam dagen.

Na tijden van onvruchtbaarheid

heeft thans Natuur een kleed gespreid,

dat schóner geen zal vragen!


Ontlook uit Lijden, Graf: het Licht;

te schoon schier voor ons zwak gezicht,

niet Pasen, ’s Heer Verrijzen?!

O, als wij doen, wat De hemel wil,

in plichtsbetrachting, trouw en stil,

Neurt onze ziel een wijze!


Dan juichen wij! Want eenmaal gloeit

in stage kracht en onvermoeid:

de Paas-Zon voor onze ogen.

Dan zingen, vrij van kamp en kruis,

voor eeuwig in het Vaderhuis

Wij ‘t, “Glorie in den hoge!”


Herinnering

Sinds meenge maand in kille groeve rust

Me een dierbare vriend, zoo goed en trouw

Van hart, dat immer ik nog rouw

Om zijn verlies. Geen zang me lust


Noch feestpartij, want aan zijn zijn

Genoot ik steeds met ruime maat:

Zijn gul onthaal, zijn opgewekt gelaat,

Zijn geestighêen – het stemde me alles blij.


De dood hij kwam. Heel stil en onverwacht

Nam hij de bloem uit ’s werelds hof,

Om straks, na korte sluimernacht


Te doen herrijzen haar in volle pracht,

Tot ’s Scheppers eer daar prijkend, tot Zijn lof.

Mijn onvergeetbare vriend, rust zacht!

Najaar 1915


Ter Nagedachtenis van wijlen den Weled. Achtb. Heer A.H. Gijzels, burgemeester van Sittard.

Nog klinken, èven, klanken door de dreven

Den zilvren jubilaris blij gewijd,

Nu, onverwacht, de mare zich verspreidt

Van dood zijn daad; aartsvijand van het leven.


Deez’ moorder sloeg hem, wreed, in stille stonde.

Een weeuw en ‘t kroost om man en vader treuren,

Een hecht geloof alléén kan hier opbeuren

Der dierbren hart, zacht heelen diepe wonde…


De vlag-in-rouw duidt Sittards mede-lijden,

De slag trof zwaarm een schok voer door de stede;

Een troost zij ’t vriend en magen dat Dood heden

Van lange smart hem eindelijk kwam bevrijden.


Het streven stâag naar hoogre idealen,

Zijn vroomheid die, oprecht, hij vrij steeds uitte,

Doet d’hope bij gezin groei’n en daarbuite

Dat ’t Kerstfeest reeds bij viert in Edens vreugdezalen.

Sittard 24 december 1926


Ter gedachtenis aan Cornelis Johannes Meeuwsen

Aan de Ouders, broers en zusjes van lieve Cor

Een God had Cor aan U gegeven

Hij was ‘t, Die hem tot zich nam.

Cor toeft nu in een ánder leven,

Zich tekenend als een eeuwige vlam…


Wij, met onz’ zwakke, aardse ogen,

Wij plengen tranen om een graf

Vergeten ’t Goddelijk mededogen,

Dat ook aan Cor zijn kroontje al gaf…


Gij schonkt Uw kind uw schoonste liefde,

Uw zorgen immer: dag en nacht

En als het, speels, U somtmets griefde,

Bleek telkens dra zijn aard, zo zacht.


Zijn hart was gouden, en zijn wezen

Spontaan en gaaf, en gul en goed.

Wis, Cor greep in der hemelen dreven

Reeds naar de horen van overvloed!

Helmond 21 juni 1953


Sonnet

(gewijd aan onze dierbare oud-Herder, em. Pastoor-deken B. van der Hagen)

Een droeve mare stormde

door de stad:

Hij stierf, die zwoegde tot de

laatste stonde,

die zelfs op zijn lange lijdenssponde

lief gehad…

toefde bij hen, die hij had.


Wat was het hart toch rein en

warm en goed

van hem, de heilige; ’t meest

voor de armen levend,

op elk terrein immer naar

hoger strevend,

physiek maar klein, doch

groot van ziel, gemoed.


Wie zou om dezen, die men

dank en huld’

zo gaarne bracht en vaak,

tijdens zijn leven,

wiens aards bestaan slechts

weldoen was en lieven.


die nooit, bewust, een evenmens

kon grieven,

wiens hart van deugdendrang

zo was vervuld –

wie zou niet treuren,

diep geschokt zijn, even?…

Helmond 24-3-1951


Oranje

Nooit hield ik als nou

zo innig van jou,

van het lieflijk Oranje.

Als om iets in rouw,

zo denk ik heel trouw

aan ‘t roemrucht Oranje.


Sinds de oorlog verbleekte,

– het zilt’ nat verweekte

Jou, schitterend Oranje -:

je historisch lint

me enger nog bindt

aan jou, dier Oranje.


Aan d’hollandse vaan

Hechte elkeen voortaan

het fleurig Oranje.

‘t Vang óp, één van tint

Met Driekleur de wind,

Het zonnig Oranje.


Onz’ Vorstinne, blij,

in ‘t Land, straks, weer vrij,

Hervinde het Oranje.

Dan tooi zich, als tolk,

van zijn trouw, héél het volk,

Fier met Oranje!!


Nooit hield ik als nou

zo innig van jou,

van het zinrijk Oranje.

Steeds wijd ik me trouw,

in vreugde en in rouw

aan ’t eeuwig Oranje!

Bezettingstijd – Winter 1940-1941

Helmond


KAMER 11

(Retraite-Huis, Spaubeek)

In dit huis liep zwaar vol zorgen

Vor’ge week een Pater rond,

Om de kamers te verdeelen

voor Leden van den A. R. K. A. Bond.


Met één kamer zat verlegen

Pater Coenen al heel gauw:

Wie van al die 41

Geef ik ‘t gekkenno. nou ?!


Wacht – in S. zijn veel gekken

(Denk aan Vastenavond maar)

Dáár zijn van de 100 menschen

Minstens 50 niet heel gaar…..


En.. .. zoo sprak ‘t welhaast vanzelf

IK kreeg kamer No. 11,


Trots stapte ik de kamer binnen

En, – zoo dacht ik bij me zelf – :

Eén moet toch de dupe wezen,

Wordt gebrandmerkt met ’n 11.


Maar ik kreeg gauw concurrentie …

Nog een ander dan ik zelf

Was verzot, stapel mesjoche

Op die reuze – kamer 11,

Die van 12 leî er de inventaris

En dacht: Het spreekt welhaast vanzelf

Ik ben de eerste op de kamer:

‘k Neem en houd dus No. 11!


Neen, zei goeje Pater Coenen:

“Hoe je ‘t keert en draait of wendt

Wie ook is je concurrent:

Ritzen, die zoo goed kan “flitsen”

Houdt je flink, kordaat ook zèlf

Jij houdt kamer nummer elf!!!”


11 is toch mijn liev’lingsnummer.

‘k Ben verzot op dit getal

En, gelooft het mijne heeren,

‘k kan er een valsche eed op zweren,

‘k Ondervond *t wel 100 keeren:

11 trekt mij al heel bizonder,

‘k kàn er heusch bijna niet zonder:

11 mij steeds “behooren zal!


In 8x 11 werd, zonder liegen,

ik de wereld in gezet;

Daar waar Geul en Gulpe stroomen,

Onder oude Iindeboomen,

Las voor ’t eerst ik de gazet.


Nauwelijks was ik ellef jaren

Of ik wou al gauw van school:

Leeren kon mij niet bekooren,

Want ik vond het apekool.


2 x 11, …. toen was ik blij . . . en

Gek genoeg om te gaan vrijen;

Ik gaf den eersten, kleinen zoen

… Ook menig korfje kreeg ik toen!


3 x 11, …. toen ging ik trouwen

Tòen was ‘k heelemaal yerkouwen:

Want .. ik trof een waar Xantippe,

Aan zulk een vrouw kan niemand tippe…


….

Later wensch ik niet te stranden

Heusch, ik hoop dan te belanden

Bij St. Petrus boven aan!

Hij moog mij – ‘t is me om het even! –

Op no . 11 een plaatsje geven.

Ik kijk hem daarvoor kwaad niet aan.


En Sint Petrus, fijngevoelig,

Heel correct, zeldzaam, bloedkoelig,

Kleedt mijn entree in misschien:

“Groote deugniet, kleine Ritzen,

Die, bergaf, zoo hard kunt fitsen,

Hier is jouw plaats,

Tusschen 12 en 10!”


Aardrijkskunde

(Nederland)

Wie pienter is die geeft nu acht.

Hij (zij) durft te zeggen onder Ede

waar Duiven ligt en Bingelrade,

Daniken en Weustenrade.

Waar ’t goede Best in Brabant ligt,

waar ’t plaatsje Fort ligt, waar: Limbricht.


Een ieder kent licht Emmeloord,

heeft wis van Engelbert gehoord.

Weet dat ge Brouwhuis en: de Bielt

niet in het Westen vinden zult.

Weet verder, dat twee Elsten zijn,

twee Emmens, maar één Ravesteijn.

Wie nooit in Foschol ist geweest

belandde wis wel eens in Beesd.


Zo toefde ik eens in Koog a.d. Zaan

een andere keer in Goudriaan,

ging via Gasselterboerveen

naar Finsterwold, Munstergeleen.

Ik lifte effe naar Scharwoude,

maar…kwam terug echt doorverkouden.


Eens, op een warme snipperdag,

zei ik m’n vrouwlief goedendag:

Ik fietste braaf naar Paterswolde,

Godlinze en zelfs Kolderwolde.

Bezocht die dag ook “Zusteren”

om daar wat “uit te rusteren.”

Bereisde verder Ommel, Well,

Streefkerk en zelfs nog Boschkapel.

Mijn tijd was om. Nu vliegensvlug

fietste ik in spijkerbroek terug.