Mozes en het brandende braambos Exodus 3,1-15 (Naardense bijbel)
Mozes is herder geworden over het wolvee van Jitro, zijn schoonvader, priester van Midjan; hij drijft het wolvee tot achter de woestijn en komt aan bij de berg van God, op Horeb aan.
Dan laat zich aan hem zien: de engel van de Ene in een vuurvlam uit het midden van de Sinaïdoorn; hij ziet het aan: ziedaar, de Sinaïdoorn gloeit in het vuur en de Sinaïdoorn wordt niet verteerd!
Dan zegt Mozes: ik móet van mijn weg afwijken,- ik ga het zien, dit grootse gezicht: wáárom verbrandt hij niet, de Sinaïdoorn?
Dan ziet de Ene dat hij van zijn weg is afgeweken om het te zien;
God roept tot hem uit het midden van de Sinaïdoorn en zegt: Mozes!, Mozes!,
en die zegt: hier ben ik!
En hij zegt: ik ben de God van je vader, God van Abraham, God van Isaak en God van Jakob! Mozes verbergt zijn aanschijn, want hij is bevreesd om te kijken naar God!
Dan zegt Mozes tot God: wie ben ik dat ik tot Farao zal gaan,- en dat ik de zonen Israëls uitleid uit Egypte? Dan zegt Mozes tot God: ziedaar, ik zal aankomen bij de zonen Israëls en tot hen zeggen: de God van uw vaderen heeft mij tot u gezonden!- als zij tot mij zeggen: wat is zijn naam?, wat zal ik dan tot hen zeggen?
Dan zegt God tot Mozes: ik zal er zijn, zoals ik er ben! Hij zegt: zó zul je tot de zonen Israëls zeggen: Ik-zal-er-zijn heeft mij tot u gezonden!
Dan zegt God nog tot Mozes: zó zul je zeggen tot de zonen Israëls: Die-er-zal-zijn, de God van uw vaderen, God van Abraham, God van Isaak en God van Jakob, heeft mij tot u gezonden; dit is mijn naam voor eeuwig en dit is mijn gedachtenis voor generatie op generatie;

Een commentaar van Marc Alain Ouaknin op deze tekst uit: ¿God en de kunst van het vissen
Laten we het voorval met het brandend braambos wat grondiger onderzoeken.
Mozes wendt zich af van zijn route om zich te verbazen over een doornstruik die brandt maar niet verteert.
God interpelleert hem door zijn naam tweemaal te herhalen, ‘Mozes, Mozes’, een roeping waarop hij antwoordt met een hineni, ‘hier ben ik’, hier ben ik aanwezig, aandachtig, in afwachting van uw woord.
God legt uit wat hij van Mozes verwacht: dat hij het volk van de Hebreeërs zou bevrijden uit hun slavernij in Egypte. En Mozes antwoordt dat de Hebreeërs hem zullen vragen: ‘Wat is zijn naam?’, ‘Wat is de naam van die god die jou naar ons stuurt?’ En God antwoordt: ‘Je zult hen zeggen dat ik Ehejeh asjer ehejeh heet’, letterlijk ‘ik zal zijn wat ik zal zijn’, wat heel wat vertalingen weergeven door ‘ik ben hij die is’, een onmogelijke vertaling, zoals ik al zei, omdat het werkwoord ‘zijn’ in feite in het Hebreeuws niet bestaat in de tegenwoordige tijd, uitgezonderd die ene keer in Exodus 9:3. Het koppelen van de eerste ‘ik zal zijn’ met de tweede ‘ik zal zijn’ gebeurt door het ‘betrekkelijk voornaamwoord’ (asjer) dat ook ‘geluk’ betekent (osjer)!
De naam van God kan geen ‘ik ben’ zijn, maar enkel een ‘ik zal zijn’, de spanning van een project, een zich inschrijven in de dynamiek van een toekomst die zich opent, ‘daarginds’ (sjam), een woord dat ook naam’ (sjem) betekent en ‘hemel’, die men in het Hebreeuws uitdrukt als ‘twee daargindsen’ (sjamaj’im)!
God is geluk, niet omdat hij God is, maar omdat hij het werkwoord zijn is in zijn toekomstige modaliteit, en ons naar analogie inschrijft in het engagement, project en toekomstproject!
Wat de Bijbeltekst in een schitterende semantische vergelijking weergeeft. Het ‘geluk’, osjer, is het hart van de uitdrukking ‘Ehejeh asjer ehejeh’, die men zo kan openvouwen in een dubbele formulering die de gelijkstelling verduidelijkt tussen het werkwoord ‘zijn’ in de toekomst en ‘het geluk’.
Ehejeh asjer, of met andere woorden: ‘Ik zal zijn = geluk’.
Op die manier wordt de les vaak tweemaal herhaald, maar met een klein verschil. Dat is de betekenis van het vervolg van de gelijkstelling: asjer ehejeh, of met andere woorden: ‘geluk = ik zal zijn’.
Wat belangrijk is in de etymologische gelaagdheid van deze kleine reis is de keuze voor deze verklaring van de goddelijke naam ‘ik zal zijn, geluk, ik zal zijn’.
Het is die verklaring die ons toelaat een verhouding, waar we niet omheen kunnen, te ontdekken tot de tijd die zich verbindt met het geluk. Het geluk is niet de sereniteit van het moment maar een vertrouwen in een mogelijke toekomst. In een open toekomst. Zo kunnen we met Henri Maldiney zeggen dat het geluk ‘een gebeurtenis is die zich niet voordoet in de wereld.
Ze opent een wereld.’
Het geluk is op die manier een ingesteldheid van het zijn, van de geest en ook van het lichaam. Het is dat moment waar het reeds-daar van de wereld kantelt naar een ergens anders, open, in wording, dat niet is, maar heeft te zijn. Geen radicale, rimpelloze, a-problematische openheid, want die definitieve openheid zou tegelijk haar eigen afsluiten zijn! Wel strijdperk tussen het eindige en het oneindige, ‘plaats van ontmoeting, vanzelf bewegend, van tegenstrijdige spanningen, die zich openen en sluiten, die het energetische vormen van het levende. ‘
En op deze manier kan het geluk geen toestand zijn. Het geluk staat in relatie met de avant-garde, niet de gekunstelde avant-garde van de mode, maar deze waar kunst gebeurt als een zich openen van wat nog niet was, zoals poëzie dat doet door ‘het aandeel van de gevestigde taal te reduceren ten gunste van het gewaagde woord’, zoals schilderkunst dat doet ‘door iets zichtbaar te maken dat ons ook ziende maakt, zoals ook muziek doet waar elke noot reeds de volgende noot oproept, opening naar, verwachting van de toekomst, ouverture, oeuvre! Zonder de dans te vergeten die ons uitnodigt stil te staan bij het feit ‘dat we niet kunnen zonder de sterren’.
Het geluk is een manier van in de wereld zijn, reikend voor zich uit, letterlijk ek-sistentie, en filosofen zullen in mijn manier van spreken het Heideggeriaans idioom (en dus wat vakjargon) en zijn Dasein herkend hebben, waarvan de meest juiste vertaling in het Nederlands ‘Daar-zijn’ zou zijn of met andere woorden: ‘zijn in… openheid hebben voor en begrijpen wat zich opent in dat openen’, in een woord: praesens, present.
(Sommigen zullen met de nodige humor zeggen: ‘Le bon heur est dans Ie prae.’)
Het wezen dat voor zichzelf volstaat, opgesloten in de immanentie van zichzelf, staat met niets in relatie, niet met iets, niet met iemand, niet met wat dan ook.
Hij is geen ‘wezen in relatie met’ en het betrekkelijk voornaamwoord (asjer) hoort dus niet bij zijn definitie, noch bij zijn essentie, noch bij zijn existentie.
Ehejeh asjer betekent ‘ik zal zijn, geluk’ omdat het een ‘ik zal zijn’ + het betrekkelijk voornaamwoord is, een voornaamwoord dat ‘de relatie met’ onderstreept, of met andere woorden: de beweging van de transcendentie zelf.
Het subject is in staat om uit zichzelf te komen, naar een ander dan zichzelf. Het geluk is project, niet alleen voor zichzelf maar noodzakelijkerwijze ingeschreven in een relatie. De mens van het geluk is in relatie met. Maar deze formule kan betekenen relatie met een ‘wat’ of met een ‘wie’. Zoals Martin Buber zou zeggen: het ‘ik’ geeft zich aan een ‘ik-jij’- of een ‘ik-dat’-relatie. Relatie van subject tot subject of van subject tot object. Het feit dat de Bijbelse gelijkstelling van een ‘ik zal zijn’ spreekt, dat zich verbindt (asjer) met een ander ‘ik zal zijn’, wil ons zonder twijfel leren dat het geluk (osjer) inderdaad deze dimensie is van de projectie van het zelf in een relatie met een ander subject. Dit subject heeft door deze relatie de mogelijkheid om zich op zijn beurt te engageren in een project, zich te projecteren in de toekomst, toegang te hebben tot een ‘daarginds’ van zichzelf (sjam), en zich zo voor het eerst echt te bekleden met zijn ‘naam’ (sjem). Dan is het heel zijn wezen dat zich in beweging zet. Zijn geest en zijn lichaam zetten zich in beweging (asjar) en hij markeert de grond door zijn ‘stap’ (asjoer) om gids te worden en het volk te gidsen (isjer), en de bevrijding mogelijk te maken (isjoer) en zichzelf toe te staan om zijn vrijheid in de wereld te ontplooien.
‘Toen steeg een boom. O louter overstijgen!
O Orpheus zingt! O hoge boom in ’t oor!
En alles zweeg. Maar zelfs in dit verzwijgen
kwam nieuw begin, wenken verandering voor.’
Nu begrijpen we het raadsel van de tekst van het brandend braambos. Mozes wordt geïnterpelleerd door God enkel omdat hij in staat is zich af te wenden om te zien. Want hier bestond zijn oprechtheid erin om niet rechtdoor te gaan. Omdat hij zich in beweging heeft gezet, geluisterd heeft naar een ander, zich opengesteld heeft voor de relatie, voor de transcendentie, voor het project van het in beweging zetten van een heel volk verlangend naar de vrijheid. Hij heeft begrepen dat ‘het definitieve niet definitief is en dat het mogelijk is te ontsnappen aan de verpletterende verantwoordelijkheid van het bestaan die omslaat in lotsbestemming, het avontuur van het bestaan weer op zich te nemen om te zijn tot in het oneindige. ‘
Daarom kon hij het ehejeh asjer ehejeh horen, en als zijnde in staat tot een andere lotsbestemming dan de zijne, werd hij een gelukkig wezen! Hij kon deze tegelijk eenvoudige en complexe gelijkstelling die ‘geluk’ en ‘toekomst’ koppelt, horen en aan ons doorgeven, terwijl hij ons liet begrijpen dat ‘de toekomst niet het heden is van de toekomst, maar de echte toekomst, dat wat niet grijpbaar is, dat wat ons overrompelt en ons bij verrassing aangrijpt’, dat ‘de toekomst de ander is’, dat ‘de verhouding tot de toekomst bij uitstek de verhouding is tot de ander’, dat ‘spreken over tijd in een alleenstaand subject, spreken over een zuiver persoonlijke tijd, (ontologisch) onmogelijk lijkt te zijn.’
Bron: Ouaknin, Marc-Alain, ¿, God en de kunst van het vissen, Tielt 2016 (Lannoo)
