Zeitgeist (8) Op zoek naar vermoorde familieleden

Geliefde vermisten in Syrië

Zoeken achter de zon

Het is tijd de stilte rond Assads slachtoffers van verdwijning te doorbreken, vinden Maryam Hassan en miljoenen andere familieleden van vermisten. Maar waarheid en gerechtigheid lijken in Syrië nog onbereikbaar.

Melvyn Ingleby

21 januari 2026 – verschenen in 04 De Groene Amsterdammer

Maryam Hassan laat familiefoto’s zien

Maryam Hassan aarzelde of ze afgelopen 8 december naar het Omajjaden-plein zou gaan. Net als miljoenen Syriërs wilde ze maar al te graag vieren dat het Assad-regime die dag precies een jaar geleden ten val was gebracht. Maar de geplande festiviteiten op het grootste plein van Damascus – een militaire parade, overwinningsspeeches, een vuurwerkshow – strookten niet met haar gevoelens over deze dag. De kans was groot dat ze zich te midden van de feestvierende mensenmassa alleen maar eenzaam zou voelen.

Voor de 58-jarige Palestijns-Syrische vrouw is 8 december immers niet alleen een dag van overwinning. Het is ook de dag dat ze de hoop waar ze zich ruim twaalf jaar lang aan vastklampte uit haar vingers voelde glippen. De dag dat haar zoon en echtgenoot niet terugkeerden uit Assads gevangenissen. 

Maryam weet nog goed hoe dat vorig jaar voelde. Terwijl de mensen toeterend en juichend door de straten van Damascus trokken om te vieren dat de dictator als een dief in de nacht op een vliegtuig naar Moskou was gestapt, zocht zij naar een teken van leven van haar geliefden. Als een bezetene bekeek ze alle filmpjes van bevrijde gevangenen en lijsten met de namen van gedetineerden die online de ronde deden. Ondertussen liet ze familieleden en bekenden navraag doen bij martelgevangenissen. Zelf durfde ze er niet bij in de buurt te komen.

Die herinneringen zouden dit jaar terugkomen, wist Maryam. In de dagen voor 8 december deed ze haar best zich mentaal voor te bereiden op de zware dag, maar vlak daarvoor, op 4 december, publiceerden 26 media-organisaties wereldwijd het Damascus Dossier, een onderzoek naar meer dan honderdduizend regime-documenten en tienduizenden foto’s van doodgemartelde Syriërs die de journalisten na Assads val in handen hadden gekregen.

‘Ik werd die ochtend wakker, opende Facebook, en zag meteen al die lijken met geblurde gezichten in mijn tijdlijn’, zegt Maryam vanaf de bank in haar woonkamer in een voorstad van Damascus. Ze bijt op haar lippen en vecht tegen de tranen. ‘Ik kan niet beschrijven hoe het voelt om te scrollen tussen foto’s van verminkte lichamen, op zoek naar iemand die lijkt op je man en zoon.’ De dagen erna kon Maryam nauwelijks slapen. Haar geliefden waren weliswaar niet te zien op de beelden die online verschenen, maar wat als ze op een van de andere tienduizenden foto’s stonden? Zouden ze op net zo’n gruwelijke manier gedood zijn? Hoe kon ze daar überhaupt achter komen?

Op 8 december was Maryam uitgeput. Ze besloot niet naar het Omajjaden-plein te gaan en bracht haar bevrijdingsdag binnen door. Dat bleek de juiste beslissing, constateert ze een dag later. Op het plein was immers weinig ruimte voor haar verdriet, zegt ze. Er werd niet eens een minuut stilte gehouden.

Niemand weet precies hoeveel mensen in Syrië ‘achter de zon zijn gegaan’, zoals het Syrische gezegde luidt over mensen die zijn meegenomen door Assads veiligheidsdiensten. Volgens de VN zijn sinds het begin van de Syrische opstand in 2011 meer dan 130.000 mensen het slachtoffer geworden van gedwongen verdwijning (enforced disappearance). In veruit de meeste gevallen – zo’n negentig procent, volgens schattingen door mensenrechtenorganisaties – verdwenen zij na arrestatie door het Assad-regime; overige slachtoffers werden ontvoerd door Islamitische Staat, drugsbendes, Koerdische milities en andere rebellengroepen, of ze verdwenen na verdrinking in de Middellandse Zee. Wie de teller niet in 2011 maar bij de stichting van het Assad-regime in 1970 laat beginnen, komt op nog veel meer vermisten uit: tot wel driehonderdduizend, aldus een schatting van de nieuwe Syrische regering.

Wat hun exacte aantal ook is: deze honderdduizenden slachtoffers hebben tezamen miljoenen familieleden en vrienden die dag in dag uit aan hen denken. Hun afwezigheid is altijd aanwezig, als een open wond die maar niet heelt. Dat drukt niet alleen op de directe naasten van de vermisten, maar op de Syrische samenleving in haar geheel.

En toch dreigt dit collectieve trauma te worden weggemoffeld. De gedwongen stilte waaraan Syrië onder de Assads ruim een halve eeuw was onderworpen, is immers niet zomaar doorbroken. Nog altijd hebben Syriërs van verschillende achtergronden moeite om elkaar te vertrouwen of het verleden te bespreken. De actiegroepen die de families van de vermisten begonnen zijn, worden dan ook lang niet altijd gehoord en begrepen.

Bovendien voelen veel van de families zich steeds meer in de steek gelaten door de nieuwe regering, die achter de schermen tal van deals sluit met de oude garde van het Assad-regime. Afgelopen mei is er weliswaar een Nationale Commissie voor Vermiste Personen in het leven geroepen, maar deze heeft nauwelijks budget en – ondanks veel plannen – vooralsnog weinig bereikt. Internationale instanties die zich inzetten voor de vermisten hebben ondertussen wél de nodige middelen, maar de samenwerking met de Syrische regering verloopt stroef en sommige van deze organisaties zijn beknot in hun activiteiten. Als hier niet snel verandering in komt, waarschuwen experts, dreigt het dossier van de vermisten in Syrië te worden verwaarloosd. Dat zou niet alleen desastreus zijn voor miljoenen mensen zoals Maryam, maar ook voor de levensvatbaarheid van een stabiel Syrië.

Bij een eerder bezoek aan Maryam Hassan in maart vorig jaar legde ze een klein stapeltje familiefoto’s neer op een koffietafel in het midden van haar raamloze woonkamer. Het zijn de enige tastbare aandenkens die ze nog heeft aan hoe het leven vroeger was, voordat het Assad-regime haar gezin uiteenscheurde. Op een van de foto’s staat Maryam naast haar echtgenoot, Younes Ayd al-Muqbil, een lange man met golvend haar en donkere ogen. Hij draagt een grijs overhemd en een net zwart jasje. Het is het Suikerfeest van 2002 en het gezin poseert voor een portret. Vader en moeder hebben hun armen om hun twee oudste dochters heen geslagen. Tussen hen in staan de destijds vierjarige Mohammed Younes al-Muqbil, de zoon die net als zijn vader vermist zou raken, naast zijn tweelingzus Rama. Maryams jongste twee kinderen moesten nog geboren worden.

Maryam is Palestijns, maar werd geboren in Syrië nadat haar ouders door Israël werden verdreven uit Palestina. Haar man Younes is Syrisch. Ze leerde hem kennen in 1988, toen ze studeerde aan de universiteit. Terwijl ze met een vriendin in de kantine zat te lunchen, stapte hij op haar af om te zeggen dat ze mooie ogen had. Twee jaar later trouwden ze. Younes ging later aan de slag als sociaal hulpverlener op een school, Maryam werkte in een kinderdagverblijf. Het gezin had het niet breed, maar was intens gelukkig, vertelt Maryam terwijl ze foto’s van uitstapjes met de kinderen laat zien. Op een daarvan zit een jonge Mohammed op een schommel. Hij draagt een cowboyhoed en kijkt ondeugend naar de camera. ‘Hij was extreem nieuwsgierig en heel close met zijn vader’, zegt Maryam. ‘Echt een daddy’s boy.’

Toen in het voorjaar van 2011 de Syrische opstand uitbrak, kwam dit leven ten einde. Maryam en haar gezin woonden destijds in Hajar al-Aswad, een volkswijk aan de zuidelijke randen van Damascus en een broeinest van verzet tegen Assad. Al vroeg in het conflict strafte het regime de wijk met meedogenloze bombardementen. Het gezin week uit naar het nabijgelegen Palestijnse vluchtelingenkamp Yarmouk en moest in september 2013 opnieuw vluchten toen Assads troepen dat kamp begonnen uit te hongeren.

Tijd om spullen te pakken was er niet. Pas na aankomst in een nieuw onderkomen verder ten zuiden van Damascus realiseerde de inmiddels vijftienjarige Mohammed dat hij zijn schoolpasje had laten liggen in het huis in Yarmouk. De tiener had het pasje nodig om zijn examen te kunnen afleggen en vroeg zijn moeder of hij snel terug kon om het te halen. ‘Ik was bang voor de checkpoints’, zegt Maryam. ‘Maar hij zei: ik ben vijftien, ze zullen mij echt niets aandoen.’

In de ochtend van 26 september 2013 vertrok Mohammed om zijn pasje te halen. Een paar uur later werd Maryam gebeld door een oude buurvrouw in Yarmouk. ‘Ze hebben je zoon’, klonk het aan de andere kant van de lijn. Onmiddellijk vertrok Maryam naar het checkpoint bij de ingang van het kamp. Daar kreeg ze te horen dat Mohammeds vader moest komen om wat papierwerk te tekenen, dan zou alles goed komen. Maryam belde haar man, die meteen kwam opdraven. ‘Wacht jij maar even buiten’, zei hij haar toen hij het kantoor van de veiligheidsdiensten naast het checkpoint binnen stapte. Het was toen vijf uur ’s middags.

De drie uur dat Maryam buiten stond te wachten leken een eeuwigheid. Even na zonsondergang kwam een busje van de veiligheidsdiensten aanrijden. Daarop werd een groep geblinddoekte arrestanten het kantoor uitgesleurd, onder wie Younes en Mohammed. Ze hadden hun shirt over hun hoofd en werden het busje ingeduwd. Maryam begon te schreeuwen, rende het kantoor binnen en smeekte een officier om in te grijpen. ‘Geen zorgen mevrouw, ze moeten alleen eerst even langs de veiligheidsafdeling’, zei deze. ‘Standaardprocedures.’

‘Dat was de laatste keer dat ik hen gezien heb’, zegt Maryam. Ze barst in tranen uit. ‘Die officier zei dat ze binnen vier dagen weer thuis zouden zijn. Dat is nu al bijna dertien jaar geleden.’

Al die tijd dacht Maryam iedere dag aan Younes en Mohammed. In de eerste maanden hield ze haar telefoon voortdurend in de gaten, wachtend op een belletje. Later deed ze iedere paar maanden navraag bij de militaire rechtbank, de politie en het Rode Kruis, maar het leverde allemaal niets op. Maryam begon te vrezen voor het ergste, maar tegelijkertijd wilde ze die gedachte niet toelaten. Dus bleef ze hopen.

Assads veiligheidsdiensten en andere oplichters verdienden grof geld aan die hoop. Zelfs jaren na de vermissing van haar man en zoon werd Maryam om de zoveel tijd gebeld door onbekenden die hun vrijlating beloofden in ruil voor betaling. De laatste keer was in 2023, vertelt Maryam, vlak voor Moederdag. ‘Die man zei: je zoon zit in de Saydnaya-gevangenis, maar er is een initiatief voor Moederdag. Als je me drie miljoen Syrische ponden overmaakt, kan hij nog voor lunchtijd bij je zijn. Weet je al wat je gaat koken?’

Maryam vertrouwde het niet, maar wilde het geloven. ‘Ik begon me zelfs in te beelden hoe Mohammed er na zo veel jaren uit zou zien’, zegt ze. Voor de zekerheid vroeg ze advies van een bevriende advocaat. ‘Natuurlijk bleek die man een oplichter, net als alle anderen.’

Het alsmaar moeten laveren tussen hoop en wanhoop is een centraal onderdeel van wat psychologen ook wel aanduiden als ‘ambigu verlies’. Dit concept werd gepopulariseerd door de Amerikaanse psycholoog en therapeut Pauline Boss, die in de jaren zeventig onderzoek deed met de vrouwen van in Vietnam vermiste Amerikaanse soldaten. Haar gelijknamige boek Ambiguous Loss: Learning to Live with Unresolved Grief (1999) is naar het Arabisch vertaald en wordt door Syrische psychologen gebruikt in therapiesessies met familieleden van de vermisten.

‘Mensen hongeren naar zekerheid’, schrijft Boss, en dat is precies wat ambigu verlies volgens haar tot de zwaarste vorm van verlies maakt. Een vertrek zonder afscheid, zoals bij een vermissing, of een afscheid zonder vertrek, zoals bij dementie, maakt rouwen onmogelijk, want rouw vergt duidelijke afsluiting. Bij ambigu verlies blijft zulke ‘closure’ juist uit. De vermisten krijgen geen begrafenis. Hun geliefden moeten het doen zonder afscheidsritueel. Hun verlies wordt daardoor ook minder erkend door hun omgeving. Bovendien roept de ambigue status van de verloren persoon vragen op die voor conflicten kunnen zorgen, zowel binnen gezinnen als met de bureaucratie (Heb ik nog een echtgenoot? Is mijn man nog de wettelijke eigenaar van ons huis?) En het meest slopende van ambigu verlies is dat de eindeloze onzekerheid die er bij komt kijken, mensen het gevoel geeft dat ze nergens controle over hebben. Dat zorgt vaak voor angststoornissen en kan iemand op termijn fysiek en mentaal uitputten.

Dit geldt allemaal voor de families van de vermisten in Syrië, maar hun ambigue verlies is door de context van Assads dictatuur nóg zwaarder te verduren. Waar in Nederland bij een vermissing al snel een heel dorp de weilanden in trekt om naar de vermiste te zoeken, was zo’n zoektocht onmogelijk wanneer iemand was meegenomen door Assads veiligheidsdiensten. Sterker nog: het kon al levensgevaarlijk zijn om publiekelijk over de verdwenen persoon te spreken. De slachtoffers van gedwongen verdwijning in Syrië werden niet gekoesterd als helden, zoals bijvoorbeeld de vermiste Amerikaanse soldaten waar Boss over schreef, maar verguisd als terroristen. Hun geliefden leden in stilte en zonder enige vorm van erkenning.

Het doorbreken van die stilte is dan ook van groot belang voor de families nu Assad weg is. In Maryams geval gebeurde dat heel letterlijk: kort na de bevrijding begon ze bij een bijeenkomst met lotgenoten op het Marjeh-plein in Damascus plotseling te schreeuwen. ‘Mijn dochter zei nog, mama houd je in, maar ik kon mezelf niet bedwingen’, zegt ze. ‘Ik had het gevoel dat alles wat ik al die jaren verzwegen had er in één keer uit moest.’

Ze is niet de enige. Sinds de bevrijding hebben de families van de vermisten talloze Facebook- en WhatsApp-groepen opgericht waarin ze ervaringen met elkaar delen en demonstraties organiseren. Veel van die bijeenkomsten nemen de vorm aan van zogenaamde ‘waarheidstenten’: overdekte tenten in dorpen of stadswijken waarin familieleden van de vermisten hun verhaal komen doen. Aangezien de overgrote meerderheid van Assads gevangenen mannen waren, worden deze bijeenkomsten grotendeels bezocht én georganiseerd door vrouwen.

Afgelopen mei was er zo’n waarheidstent in een dorp nabij Ghouta, ten oosten van Damascus. Enkele honderden vrouwen en hun kinderen zaten op plastic stoeltjes in een grote tent. Aan de wanden van de tent hingen tekeningen, gedichten en foto’s van de vermisten. In het midden stond een podium waar iedereen haar of zijn verhaal mocht komen doen. De bijeenkomst ging urenlang door. Kinderen spraken over vaders die ze nauwelijks gekend hebben, bejaarde vrouwen vroegen tussen hun tranen door om gerechtigheid voor hun gemartelde zonen.

In de eerste plaats zijn de waarheidstenten politieke bijeenkomsten: de families eisen hun plek op in Syrië’s nieuwe publieke ruimte. Na jarenlang het zwijgen te zijn opgelegd, staan ze erop gehoord te worden – door zowel voorbijgangers als de nieuwe regering. ‘We vechten voor waarheid en gerechtigheid’, zegt Maryam, die veel van de bijeenkomsten bijwoonde en hielp organiseren. ‘Zelfs als onze geliefden niet terugkeren, willen we dat de regering ons helpt erachter te komen wat er met hen gebeurd is en ervoor zorgt dat de daders gestraft worden.’

Daarnaast heeft het activisme ook een therapeutische kant. Juist voor mensen die zich zo lang een speelbal van het lot hebben gevoeld, is het volgens Maryam bevrijdend om actief deel te nemen aan een beweging. ‘Mijn persoonlijkheid voor de bevrijding is totaal anders dan die van na de bevrijding’, zegt ze. ‘Ik ben niet langer een moeder die alleen maar slachtoffer is, maar een moeder die vecht. Voorheen voelde ik me altijd hulpeloos. Nu heb ik een doel en een stem.’

Maar lang niet iedereen in Syrië is bereid of in staat om naar de families te luisteren. In een straatarm land waar het Assad-regime bevolkingsgroepen decennialang tegen elkaar heeft uitgespeeld en vrijwel iedereen zich onderhand slachtoffer voelt, is empathie voor het leed van de ander soms ver te zoeken. In sommige opzichten doet het denken aan taferelen in Europa na de Tweede Wereldoorlog, waar joden en andere slachtoffers van de nazi’s die uit de kampen terugkeerden vaak niet konden rekenen op hulp en erkenning. ‘We hebben het allemaal zwaar gehad’, klonk het destijds.

Ook in Syrië krijgen overlevenden van Assads gevangenissen soms te horen dat het vast allemaal wel meeviel in die martelkamers. Huisbazen vragen hun om ‘net als iedereen’ zes maanden huur vooruit te betalen, want aan uitzonderingen kunnen ze natuurlijk niet beginnen. En ook het leed van de familieleden van de gevangenen die níet terugkeerden, wordt soms gebagatelliseerd.

Dat bleek tijdens een demonstratie in de zuidelijke stad Daraa die Maryam afgelopen maart bijwoonde. Terwijl families portretten van hun gearresteerde geliefden omhooghielden op een plein in het centrum van de stad, begon een voorbijganger plotseling tegen hen te schreeuwen. ‘Wat willen jullie nou?’ riep de man. ‘Jullie echtgenoten en kinderen zijn toch allang dood, dat gaat echt niet veranderen. Laat de regering met rust!’

Die regering van president Ahmed al-Sharaa heeft vooralsnog evenmin laten zien dat ‘waarheid en rechtvaardigheid’, zoals Maryam haar doel samenvat, hoog op zijn agenda staan. Terwijl er nog geen noemenswaardige publieke rechtszaken hebben plaatsgevonden tegen kopstukken van het oude regime, sloten de nieuwe machthebbers in Damascus tal van deals met de oude garde, onder wie niet alleen rijke zakenmannen maar ook de bevelhebber van een van Assads beruchtste milities. Niet rechtvaardigheid, maar controle en stabiliteit zijn momenteel prioriteit.

Wel richtte Al Sharaa in mei vorig jaar per presidentieel decreet twee commissies op: de Nationale Commissie voor Overgangsjustitie en de Nationale Commissie voor Vermiste Personen. Binnen beide organen werken tal van gedreven Syriërs die zich vaak al jaren met deze onderwerpen bezighouden en in veel gevallen zijn teruggekeerd uit het buitenland om zich in te zetten voor een zaak waar ze in geloven. Dat ze in zeven maanden tijd nog weinig concrete resultaten te melden hebben, is niet vreemd. Maar de vraag is: gaat dit veranderen?

Doctor Mohammed Reda Jalkhi voelt een zware last op zijn schouders. Tot voor kort doceerde hij aan de universiteit van Idlib, maar inmiddels is hij voorzitter van de Nationale Commissie voor Vermiste Personen en ligt hij voortdurend onder vuur van wanhopige families die zeggen dat er niets voor hen gedaan wordt. ‘Dit is geen makkelijke baan’, zegt Jalkhi afgelopen december vanuit zijn kantoor op het ministerie van Buitenlandse Zaken (het eigen gebouw van de commissie is nog niet gereed). ‘Maar ik geef de families nooit de schuld voor hun woede.’

Zijn grootste dilemma, vertelt Jalkhi, is dat families snel antwoorden willen, maar dat zijn taak decennia in beslag kan nemen en de commissie bovendien secuur te werk moet gaan als ze geloofwaardig wil blijven. ‘We kunnen niet zomaar de namen van ter dood veroordeelden uit regime-documenten publiceren, want deze bevatten ook fouten’, zegt hij. ‘We hebben zelfs overlijdensaktes gevonden van mensen die nog leven.’ Nog een probleem is dat veel documenten uit Assads martelgevangenissen tijdens de bevrijding gestolen of vernietigd zijn. De honderdduizenden documenten die de regering wél wist veilig te stellen, liggen bovendien verspreid over verschillende ministeries.

Volgens Jalkhi heeft het ministerie van Justitie inmiddels een deel van het archief op orde gebracht en met de commissie gedeeld. Dit materiaal alleen al bevat namen van meer dan vijftigduizend vermisten, zegt hij. Het plan is om de documenten zo goed mogelijk te verifiëren en de families vervolgens in te lichten over de wijze waarop hun geliefden erin voorkomen. Dat moet gebeuren middels een persoonlijk huisbezoek waarbij wordt benadrukt dat het slechts om ‘voorlopige resultaten’ gaat, aldus Jalkhi. Vervolgens krijgen de families de keus: achten ze de zaak afgesloten, dan ontvangen ze een overlijdensakte. Willen ze meer zekerheid, dan zal er gezocht moeten worden naar stoffelijk overschot.

Maar dat laatste kan decennia duren, want heel Syrië ligt bezaaid met massagraven. Veel daarvan zijn nog niet eens ontdekt, benadrukt Jalkhi, en de reeds bekende locaties kunnen pas onderzocht worden als er voldoende forensische specialisten en DNA-labs zijn. Zeker tot aan 2027 moeten alle massagraven gesloten blijven, zegt hij. Ondertussen wil hij zijn commissie verder uitbouwen door extra personeel in te huren en regionale loketten te openen die sociale en psychologische bijstand moeten verlenen aan de families.

Maar er is één enorm probleem: Jalkhi heeft nog niet eens een formeel budget. Vorig jaar moest hij het doen met een noodfinanciering van onder de miljoen dollar. Hoeveel geld hij dit jaar krijgt is nog niet zeker, maar op meer dan enkele miljoenen hoeft hij niet te rekenen. Gezien de sisyfustaak waar hij voor staat is dat slechts een druppel op een gloeiende plaat, aldus experts.

Veel meer geld is er te vinden bij drie internationale instanties die zich bezighouden met de vermisten in Syrië: het VN-orgaan IIMP(Independent Institution on Missing Persons in the Syrian Arab Republic), het Rode Kruis (ICRC) en de ICMP (International Commission on Missing Persons). Begin november vorig jaar tekenden zij samen met Jalkhi een intentieverklaring om de onderlinge samenwerking te bevorderen. Uit gesprekken met zeven bronnen die bekend zijn met het werk van deze instanties blijkt echter dat er juist veel wantrouwen tussen de partijen bestaat, mede aangedreven door competitie over donorgeld in een wereld waarin president Trump miljarden aan humanitaire fondsen heeft wegbezuinigd.

Desalniettemin heeft met name het IIMP een budget waarvan Jalkhi slechts kan dromen. In het jaar 2025 bedroeg het vaste VN-budget van de organisatie ruim elf miljoen dollar en daarbovenop zegden donorlanden minstens 1,2 miljoen dollar toe. Niet niks, zeker voor een organisatie die afgezien van enkele werkbezoeken geen concrete activiteiten in Syrië heeft.

Dat zit als volgt. Het IIMP werd opgericht in 2023 na een jarenlange campagne door organisaties van familieleden van de Syrische vermisten. Omdat Assad destijds nog aan de macht was, vestigde het IIMP zich in Genève, maar sinds de bevrijding is de nieuwe Syrische regering niet akkoord gegaan met een verhuizing naar Damascus. Deels komt dat doordat de nieuwe machthebbers de VN wantrouwen vanwege het falen van de internationale gemeenschap in Syrië en het feit dat veel VN-gelden voorheen verdwenen in de zakken van het Assad-regime. Bovendien wil de regering voorkomen dat het IIMP een parallelle structuur gaat vormen die ervaren personeel binnen Syrië wegsnoept met hoge VN-salarissen die de commissie nooit kan bieden. Om zaken centraal te houden, aldus Jalkhi, heeft de commissie het IIMP zelfs verzocht om te stoppen met het registreren van vermiste personen.

Hoewel gewerkt wordt aan een verbetering van de banden, liggen veel van de activiteiten van het IIMP volgens bronnen momenteel stil en is het niet ondenkbaar dat het instituut op termijn irrelevant wordt of zelfs wordt opgeheven. Belangenorganisaties van de families zien dit als een groot risico: het IIMP heeft niet alleen veel geld, maar ook veel opgebouwde kennis, en wordt door sommigen gezien als reddingsboei in het geval dat de nationale commissie op een gegeven moment ten onder gaat of onvoldoende levert. Een woordvoerder van het IIMPheeft laten weten niet te willen reageren op deze publicatie.

De in Den Haag gevestigde ICMP lijkt betere banden te onderhouden met de nationale commissie. Zo faciliteerde de ICMP afgelopen oktober een werkbezoek van Jalkhi en zijn team aan Srebrenica om hun te vertellen over de ervaringen die de ICMP daar eerder opdeed: de organisatie droeg bij aan de identificatie van zo’n driekwart van de circa veertigduizend vermisten in voormalig Joegoslavië, mede met gebruik van haar gerenommeerde DNA-laboratoria.

Maar volgens critici van de ICMP zijn dit soort werkbezoeken niet zonder eigenbelang. De ICMP zou erom bekendstaan, aldus drie bronnen met ervaring in de sector, heel effectief te netwerken binnen lokale regeringen – en daarbij het belang van DNA-onderzoek te onderstrepen – om vervolgens haar eigen expertise en laboratoria aan de man te brengen. Genetische identificatie is immers kostbaar: nucleair DNA-onderzoek naar één bot kost al snel vijfhonderd dollar.

Kathryne Bomberger, directeur-generaal van de ICMP, werpt de kritiek verre van zich. ‘Wij hebben nul eigenbelang hierin’, zegt ze telefonisch. ‘Onze aanpak is veelzijdig, want je moet verschillende materialen gebruiken. Een document in een archief kan aantonen dat iemand geëxecuteerd is, maar families zullen vaak nog altijd het stoffelijk overschot van hun geliefden terugwillen. Ik geloof dat ons dna-laboratorium in Den Haag Syrië daarbij kan helpen – als Syrië dat wil.’

Bomberger begint tijdens een uur lang interview niet uit zichzelf over de laboratoria. Eerder heeft ze het over de steun die de ICMP wil verlenen bij het opbouwen van de nationale commissie. Dat is niet alleen een kwestie van meer personeel inhuren, benadrukt ze, maar vooral ook van wetgeving, want vooralsnog leunt de commissie enkel op een presidentieel decreet. Pas als het mandaat van de commissie is vastgelegd in de wet – en de families betrokken worden bij het opstellen daarvan – kunnen de families erop rekenen dat de commissie hun belangen dient en zal blijven dienen. ‘De ICMP heeft al aangeboden te helpen bij het opstellen van een comité om deze wetten te schrijven.’

Tot slot is er de humanitaire reus: het Rode Kruis. De organisatie is een grote speler in Syrië, maar een woordvoerder zegt geen interview te kunnen verzorgen en wil alleen antwoord geven op geschreven vragen. Hij schrijft dat het Rode Kruis onder andere forensische experts traint en de autoriteiten wil steunen bij de opzet van een DNA-laboratorium, maar geeft desgevraagd geen informatie over het budget dat hiervoor is uitgetrokken. Over de samenwerking met Jalkhi’s commissie wil de organisatie evenmin in detail treden. ‘De dialoog tussen de ICRC en de Nationale Commissie is bilateraal en vertrouwelijk.’

Op welke manier Maryam en miljoenen andere familieleden van Syrië’s vermisten in de toekomst geholpen gaan worden, hangt nu af van de hoeveelheid financiering die beschikbaar wordt gesteld en de samenwerking tussen nationale en internationale spelers. Wat Jalkhi betreft zijn de verhoudingen duidelijk: iedereen is welkom om Syrië te helpen, maar de nationale commissie bepaalt de strategie en voert die uit. En Syrische DNA-monsters moeten in Syrië blijven.

Dat donorlanden eerder geneigd zijn geld uit te trekken voor internationale organisaties dan voor zijn commissie, is Jalkhi een doorn in het oog. Volgens hem wordt juist binnen die sector veel geld verspild aan workshops, consulten, policy papers en andere zaken waar de families van de vermisten weinig aan hebben. Bij zijn diplomatieke contacten pleit hij dan ook voor meer directe financiering aan de commissie. Het Verenigd Koninkrijk en Duitsland hebben volgens hem al toegezegd hiernaar te zullen kijken.

Zulke directe steun is volgens Jalkhi niet alleen een kwestie van liefdadigheid, maar ook een investering in stabiliteit. ‘Dit dossier is onlosmakelijk verbonden met overgangsjustitie’, zegt hij. ‘Zolang de families geen antwoorden krijgen, blijven ze rondlopen met wraaklust en dit kan leiden tot een geweldscyclus.’

Maar antwoorden alleen zijn wat Maryam betreft niet genoeg. ‘De waarheid is eigenlijk al bekend, of we haar aanvaarden of niet’, zegt de Palestijnse vrouw. ‘Ik weet dat ze er niet meer zijn. Ik weet dat ze door marteling of ziekte gestorven zijn. Dat ze misschien nu wel in een massagraf liggen. We snappen dat het tijd gaat kosten om hen te vinden en hebben geleerd om te wachten. Maar wat niet kan wachten, is gerechtigheid.’

Pas wanneer de daders gestraft zijn, aldus Maryam, kunnen de families van de vermisten echt vrede vinden. ‘Als de regering die taak verwaarloost, zal dit land tot ontploffing komen’, zegt ze. ‘Want weet dat wij als gloeiende kolen zijn. Je kunt ons even afkoelen, maar als je ons links laat liggen, verspreidt het vuur zich weer, tot niemand het meer kan blussen.’