Simone Weil: Beschouwingen

BESCHOUWINGEN
DE LIEFDE GODS EN HET ONGELUK

Weil, Simone, Wachten op God, Utrecht 1997, (Erven J. Bijleveld), pag. 80-96

Op het gebied van het lijden is het ongeluk een afzonderlijke, eigensoortige en onherleidbare werkelijkheid. Het is geheel iets anders dan het lijden. Het ongeluk maakt zich van de ziel meester en stempelt haar tot op de bodem met zijn slavenmerk. De slavernij, zoals die in het oude Rome, is slechts de toegespitste vorm van het ongeluk. In de Oudheid besefte men dit heel goed, getuige het gezegde: «Op de dag dat een mens slaaf wordt, verliest hij zijn halve ziel.»
Het ongeluk kan men niet scheiden van het lichamelijke lijden en toch is het er sterk van onderscheiden. In het lijden is alles wat niet gebonden is aan fysieke pijn (of wat daarmee verband houdt) kunstmatig, ingebeeld; het kan derhalve bij een juiste geestesgesteldheid worden uitgeschakeld. Zelfs bij de afwezigheid of de dood van een geliefd mens is het onherleidbare deel van het verdriet zoiets als een lichamelijke kwaal, een moeilijkheid bij het ademhalen, een beklemming op de borst, een onvervulde behoefte, een gevoel van honger, of de bijna biologische wanorde die ontstaat wanneer een tot nu toe doelbewuste energie plotseling haar richtpunt verliest. Verdriet zonder een dergelijke onherleidbare kern is gewoon romantiek, is niets anders dan literatuur. – Ook vernedering is zo’n geteisterde toestand van het hele lichaam, dat onder de aangedane smaad wil opspringen maar zich in bedwang moet houden door onmacht of uit angst.
Een zuiver fysieke pijn daarentegen is van weinig belang en laat geen enkel spoor in de ziel na. Kiespijn is er een voorbeeld van. Een paar uur hevige pijn, veroorzaakt door een rotte kies, betekent niets meer zodra de pijn voorbij is.

Heel anders is het gesteld met een zeer langdurig of vaak terugkerend lichamelijk lijden. Doch zulk een lijden is dan ook geen lijden meer; het is dikwijls een ongeluk.
Het door het ongeluk getroffen leven is ontworteld, een min of meer zwakke analogie van de dood, die op een onweerstaanbare wijze gevoeld wordt door de ziel als zij in aanraking gekomen is met de fysieke pijn of deze pijn rechtstreeks heeft waargenomen. Als de fysieke pijn afwezig is dan is er geen sprake van ongeluk, omdat het denken zich op onverschillig welk object vrij kan richten. Het denken ontvlucht het ongeluk even haastig als het dier de dood. Hier op aarde kan alleen de lichamelijke pijn het denken gevangen houden; op voorwaarde dat men met de pijn enkele daaraan gelijkwaardige, doch moeilijk te omschrijven lichamelijke verschijnselen op één lijn stelt. De waarneming van de lichamelijke pijn met name hoort hierbij.
Wanneer het denken in contact komt met een hoe lichte pijn dan ook, wordt het gedwongen de aanwezigheid van het ongeluk te erkennen. Dan ontstaat er eenzelfde innerlijk verzet als bij de ter dood veroordeelde die gedwongen zou worden urenlang naar de guillotine te kijken, die hem straks zal onthoofden. Een mens kan wel twintig of misschien vijftig jaar in zo’n desperate toestand leven. Anderen zijn aan hem voorbijgegaan zonder hem op te merken. Wie kan deze ongelukkigen herkennen, tenzij Christus door zijn ogen ziet? Men merkt alleen dat zij zich dikwijls vreemd gedragen, en dan laakt men hun gedrag.
Er is slechts dan sprake van ongeluk wanneer de gebeurtenis die een leven heeft aangegrepen en ontworteld, dat leven direct dan wel indirect over de hele linie ontreddert, zowel sociaal, psychisch als lichamelijk. De sociale factor is beslissend. Waar niet op enigerlei wijze sociaal verval optreedt, is het ongeluk niet aanwezig.
Tussen het ongeluk en alle mogelijke soorten van verdriet die – ook al zijn deze heel hevig, diep insnijdend, zeer langdurig – toch geen ongeluk zijn, is een samenhang, maar ook een drempelscheiding, net als het geval is met de temperatuur waarbij water gaat koken. Er is een grens waarboven het ongeluk er is, en daaronder niet.
Die grens ligt niet voor alle gevallen vast; vele persoonlijke factoren spelen hierbij een rol. Eenzelfde gebeurtenis kan de ene mens in het ongeluk doen storten en de ander niet.

Het grote raadsel van het menselijk bestaan is niet het lijden maar het ongeluk. Wij verbazen ons niet dat onschuldigen worden gedood, uit hun land verbannen worden, gemarteld, tot ellende en slavernij gebracht, opgesloten in kampen en gevangenissen, want wij weten nu eenmaal dat er misdadigers zijn die deze dingen doen. Het verwondert ons evenmin dat ziek zijn langdurig lijden kan opleggen, het hele leven met verlamming slaat en tot een toonbeeld maakt van de dood, want men weet dat de natuur onderworpen is aan een blind spel van mechanische noodzakelijkheden.
Maar het is verwonderlijk dat God het ongeluk de macht gegeven heeft om de ziel zelf van de ongelukkigen te grijpen en zich er volstrekt meester van te maken. In het gunstigste geval zal degene die door het ongeluk is gebrandmerkt, slechts de helft van zijn ziel kunnen bewaren.
Wie een van die slagen heeft moeten ontvangen waardoor hij zich op de grond wentelde als een halfverpletterde worm, vindt geen woorden om uit te drukken wat hem overkomen is. Hij zal mensen tegenkomen die wel veel geleden hebben, maar toch niet in aanraking met ongeluk zijn geweest, en dan ook geen idee hebben van wat ongeluk eigenlijk betekent.
Het ongeluk is van een geheel eigen soort, tot geen ander verschijnsel te herleiden; zo kan niets een doofstomme duidelijk maken wat geluiden zijn. En zij die door ongeluk verminkt zijn, verliezen het vermogen om aan wie dan ook hulp te bieden en zelfs het vermogen dat te willen. Zodoende is het onmogelijk om met de door het ongeluk getroffenen medelijden te hebben. Wanneer dat toch geschiedt, is een wonder gebeurd, groter dan wanneer iemand over het water loopt, zieken geneest of zelfs doden opwekt.
Het ongeluk heeft Christus gedwongen om te smeken gespaard te mogen blijven, om troost te zoeken bij de mensen en zich door zijn Vader verlaten te gevoelen. Het heeft iemand als Job, die zo rechtvaardig was als de menselijke natuur maar bevatten kan – ja meer misschien, indien Job minder een historische figuur dan wel een voorafschaduwing van Christus was – gedwongen met God te twisten. «Hij lacht over het ongeluk der onschuldigen.» Dat is geen godlastering, maar een waarachtige kreet die ontlokt wordt aan de smart. Het boek Job is van begin tot eind een zuiver wonder van waarheid en waarachtigheid. Terzake van het ongeluk is alles wat van dit voorbeeld afwijkt min of meer door leugens bezoedeld.
Het ongeluk maakt God gedurende een zekere tijd tot een afwezige, meer afwezig dan een dode, dan het licht in een stikdonkere cel. Een zekere mate van ontzetting grijpt de hele ziel aan. In die afwezigheid is er geen object waarop de liefde zich richten kan. Het verschrikkelijke is dat als de ziel in deze liefdeloze duisternis ophoudt met beminnen, Gods afwezigheid onherroepelijk wordt. De ziel moet voortgaan met in het lege lief te hebben, of tenminste dat te willen, desnoods met een oneindig klein deel van haar kracht. Dan zal God eens zich aan haar openbaren en haar, net als bij Job, de schoonheid van de wereld tonen. Maar indien de ziel ophoudt met liefde uit te stralen, vervalt zij reeds hier op aarde in een toestand die bijna gelijk is aan die van de hel.
Wie dan ook een mens onvoorbereid in het ongeluk stort, vermoordt diens ziel. Aan de andere kant is in een tijd als de onze, waarin het ongeluk ons allen boven het hoofd hangt, slechts die hulp van waarde die zo ver reikt dat zij de mens werkelijk voorbereidt op het ongeluk. Dat is geen geringe zaak.

Het ongeluk verhardt de mens en brengt hem tot wanhoop, omdat het als met gloeiend metaal op de bodem van de ziel al die gevoelens grift, die eigenlijk bij een misdadiger moesten opkomen, maar er niet zijn: minachting, tegenzin, en zelfs afkeer van zichzelf, een gevoel van schuld en van bezoedeling. Het kwaad woont in de ziel van de misdadiger zonder door hem te worden waargenomen. Maar in de ziel van de onschuldige wordt het terdege gevoeld, wanneer hij door het ongeluk is getroffen. Het is alsof de zielstoestand, die in feite hoort bij de misdadiger, is afgescheiden van de misdaad en aan het ongeluk is vastgekoppeld, en des te steviger naarmate de onschuld van de ongelukkigen vaststaat.
Als Job op zo’n wanhopige toon zijn onschuld uitroept, komt dat omdat hij er zelf niet meer in kan geloven, omdat zijn ziel partij kiest voor het standpunt van zijn vrienden. Hij roept het getuigenis van God zelf in, omdat hij het getuigenis van zijn eigen geweten niet meer hoort; want dat laatste is voor hem niet veel meer dan een onpersoonlijke en dode herinnering.
De vleselijke natuur der mensen is dezelfde als die van het dier. Kippen storten zich op een gewonde kip en pikken haar. Dat is een bijna even wetmatig gebeuren als de zwaartekracht. Alle minachting, afkeer en haat die ons verstand jegens de misdaad koestert, hecht ons gevoel aan het ongeluk. Uitgezonderd degenen wier ziel geheel en al door Christus bewoond wordt, haat iedereen min of meer alle mensen die door het ongeluk zijn geslagen, al is bijna niemand zich dat bewust.
Die wet van ons gevoel heeft ook betrekking op onszelf. Minachting, afkeer en haat keren zich bij de ongelukkigen tegen henzelf, en kleuren van daaruit met hun giftige tinten de gehele wereld. Als de bovennatuurlijke liefde het ongeluk nog heeft overleefd, dan kan zij het tweede gevolg verhinderen, niet het eerste. Het eerste gevolg behoort tot het wezen van het ongeluk; er is geen ongeluk waar het zich niet vertoont.

«Hij is om onzentwil tot een vloek gemaakt» (Galaten 3:13). Het is niet alleen het lichaam van de gekruisigde Christus geweest dat tot een vervloeking is gemaakt, maar ook zijn ziel. Zo voelt ieder onschuldig mens zich vervloekt. Zelfs zij die in de greep van het ongeluk zijn geweest en er door een verandering van de omstandigheden uit zijn gered, blijven zich, als zij diep genoeg door het ongeluk zijn aangetast, steeds vervloekten voelen.
Een ander gevolg van het ongeluk is dat het de ziel langzaam maar zeker tot zijn medeplichtige maakt, door haar met het gif van traagheid en willoosheid in te spuiten. Wie lang genoeg in de staat van het ongeluk is geweest, gaat zich mede schuldig voelen aan het ongeluk. Door deze vorm van medeplichtigheid wordt de mens gefnuikt in al zijn pogingen die hij zou willen ondernemen zijn lot te verbeteren. Het kan zo ver komen dat hij geen middelen zoekt om zijn lot te ontkomen en zelfs niet meer verlangt naar bevrijding.
Een dergelijk mens heeft zich voorgoed in het ongeluk genesteld, en de mensen zouden kunnen menen dat hij zich in zijn lot geschikt heeft. – Sterker nog, die medeplichtigheid kan hem er ondanks zichzelf toe brengen om alle middelen ter bevrijding te ontvluchten. Hij verschuilt zich soms achter de meest belachelijke voorwendsels.
Zelfs in de mens die aan het ongeluk ontkomen is, blijft, wanneer hij er ten diepste door getroffen was, iets over dat hem drijft zich opnieuw in het ongeluk te storten. Het is alsof het ongeluk als een soort parasiet in hem huist en hem voor eigen doeleinden gebruikt. Soms wint deze neiging het van alle streven van zijn ziel naar het geluk. Indien het ongeluk beëindigd wordt door een bewezen weldaad, kan die wil te volharden in het ongeluk gepaard gaan met haat tegen de weldoener. Hier is de oorzaak te vinden van sommige daden van wilde ondankbaarheid die ogenschijnlijk onverklaarbaar zijn.
Het is soms gemakkelijk een ongelukkige uit zijn huidige staat te verlossen, maar het is bijna onmogelijk hem te bevrijden van de sporen die het ongeluk in hem nalaat. God alleen kan het. En zelfs Gods genade geneest hier op aarde de onherstelbaar gewonde natuur niet. Het verheerlijkte lichaam van Christus droeg de tekenen van zijn wonden.

Men kan het bestaan van het ongeluk alleen aanvaarden als men het interpreteert als «afstand». – God schiep de wereld uit en door liefde. God heeft niets anders geschapen dan de liefde zelf en de middelen om liefde mogelijk te maken. Hij schiep alle vormen van liefde. Hij schiep, zo ver mogelijk van Hem verwijderd, wezens die in staat waren lief te hebben. Zelfs heeft hij, omdat niemand anders dat kon doen, zich naar het verste punt begeven, hetgeen oneindig ver van Hem verwijderd is. Deze afstand tussen God en God, hoogste en onvergelijkelijke smart, wonder van de liefde, dat is het kruis.
Deze smartelijke scheiding, waarboven de hoogste liefde de brug der innigste gemeenschap met God geslagen heeft, klinkt nu in de diepste stilte door de hele wereld; zij klinkt als twee afzonderlijke en samenklinkende tonen, als een zuivere en ontroerende harmonie. Dat is het Woord van God. De gehele schepping is er slechts de weerklank van. Als de schoonste muziek op aarde tot in onze ziel klinkt, dan horen wij er die tonen doorheen. Als wij geleerd hebben de stilte te verstaan, dan zijn het die klanken die wij door de stilte heen beter horen.
Zij die in de liefde volharden, horen deze tonen in de diepte van het lijden waarin het ongeluk hen geworpen heeft. Wanneer zij dat eenmaal vernomen hebben, kennen zij geen twijfel meer.
Mensen die geslagen werden door het ongeluk, bevinden zich aan de voeten van het kruis, op de bijna grootst mogelijke afstand van God. Denk niet dat de zonde een nog groter afstand betekent. De zonde is geen afstand, doch een verkeerde blikrichting.
Nu is het waar dat er een geheimzinnige band bestaat tussen deze afstand en een oorspronkelijke ongehoorzaamheid. Vanaf den beginne, zo wordt ons verteld, heeft de mensheid zijn blik van God afgewend en is, zo ver zij maar kon, in de verkeerde richting gelopen. Dat komt omdat de mens vrij was om die weg in te slaan. Wij echter, wij zijn op onze plaats vastgekluisterd en tot niet meer in staat om onze blik te wenden – voor het overige zijn wij onderworpen aan de noodzakelijkheid. Een blind mechanisme dat op geen enkele manier rekening houdt met de graden van geestelijke volmaaktheid, slingert de mensen voortdurend heen en weer en werpt sommigen aan de voet van het kruis. Het enige dat zij kunnen doen, is het oog onder alle schokken op God te richten, of dat na te laten. Niet dat Gods voorzienigheid afwezig zou zijn. Het is juist door zijn voorzienigheid dat God de noodzakelijkheid als een blind mechanisme heeft gewild.
Als dat stelsel niet blind was, dan zou er in het geheel geen ongeluk zijn. Het ongeluk is voor alles anoniem. Het berooft zijn slachtoffers van hun persoonlijkheid en maakt hen tot louter voorwerpen. Het ongeluk is onverschillig en de metalen kilte van deze onverschilligheid bevriest tot op de kern alle zielen die het aanraakt. Mensen die dit overkomt, zullen nooit meer warm worden. Zij zullen ook nooit meer geloven dat zij iemand zijn.
Nu zou het ongeluk deze uitwerking niet hebben, als het niet het toeval in zich meedroeg. Zij die vervolgd worden omwille van hun geloof en dat beseffen zijn, wat zij ook mogen ondergaan, geen ongelukkigen. Het ongeluk treft deze mensen alleen als hun angst of lijden dermate groot wordt dat hun ziel de reden van hun vervolging is vergeten. De martelaren die voor de wilde dieren werden geworpen in de Romeinse arena’s en daarbij hun loflied zongen, waren geen slachtoffers van het ongeluk. Christus was het wel. Hij stierf niet als een martelaar. Hij is gestorven als een gewone misdadiger, tussen moordenaars, alleen op een belachelijke manier. Want het ongeluk is belachelijk.
Slechts de blinde noodzakelijkheid is in staat de mensen tot in de verst afgelegen plaats van God te werpen, dat is vlak bij het kruis. De misdaden der mensen, die de oorzaak van het merendeel van het ongeluk vormen, zijn bestanddeel van die blinde wetmatigheid, want de misdadigers weten niet wat zij doen.

Er zijn twee aspecten aan vriendschap: ontmoeting en scheiding. Zij zijn onlosmakelijk verbonden. Zij bevatten beide hetzelfde goed, het unieke goed der vriendschap. Want wanneer twee mensen die geen vrienden zijn, elkaar tegenkomen, is er geen ontmoeting; en wanneer zij uit elkaar gaan, is er geen sprake van scheiding. Als beide aspecten van vriendschap hetzelfde goed bevatten, zijn zij gelijkelijk van waarde.
God brengt zichzelf op volmaakte wijze voort. Hij kent zichzelf volkomen, terwijl wij dingen op een gebrekkige manier vervaardigen; en even miserabel is onze kennis van de dingen buiten ons. Maar voor alles is God liefde. God bemint boven alles zichzelf. Deze liefde, deze vriendschap in God, is de drie-eenheid. Tussen de delen die door deze goddelijke band van liefde op elkaar betrokken zijn bestaat meer dan nabijheid; er is oneindige nabijheid, identiteit. Maar de schepping, de vleeswording, het Christuslijden maken dat er tevens een oneindige ruimte tussen de delen bestaat. De totaliteit van ruimte en tijd in al haar omvang vormt de oneindige tussenruimte tussen God en God.
Geliefden en vrienden hebben twee wensen. De ene is dat zij in hun genegenheid en liefde mogen opgaan in elkaar en één worden. De andere dat deze genegenheid en liefde zo sterk mag zijn dat, ook al zou de halve wereldbol zich tussen hen in bevinden, zij niet minder zal worden. Alles waarnaar de mens vergeefs verlangt, is volkomen werkelijkheid in God. Al onze onmogelijke verlangens zijn het teken van onze bestemming, en zij zijn voor ons van waarde vanaf het ogenblik dat wij de hoop opgeven ze te realiseren.
De liefde tussen God en God, welke God zelf is, is de vereniging van beide genoemde wensen. Deze band, die twee wezens zo verenigt dat zij niet meer van elkaar te scheiden zijn en werkelijk tot eenheid zijn gekomen, overkoepelt de tussengelegen ruimte. De eenheid van God waarin alle veelheid verdwijnt, en het vertrouwen waarin Christus zich in zijn volmaakte en onafgebroken liefde jegens de Vader geborgen weet, dat zijn de twee vormen van de goddelijke kracht van de liefde welke God zelf is.
God is zo wezenlijk liefde dat zijn eenheid, die Hem in zekere zin volkomen bepaalt, eenvoudig het gevolg is van de liefde. Aan de oneindige, herenigende kracht van deze liefde beantwoordt de even oneindige scheiding waarover zij triomfeert; deze scheiding vormt de hele schepping, zoals die zich uitstrekt door de gehele ruimte en door de totaliteit van alle tijd, en die uit ruwe mechanische stof samengesteld, tussen Christus en zijn Vader gelegen is.
Ons mensen biedt de staat van onze ellende het bijzonder kostbare voorrecht, deel te hebben aan de afstand die er is tussen de Zoon en de Vader. Maar deze tussenruimte betekent alleen scheiding voor degenen die liefde jegens elkaar kennen. Voor zulke wezens is deze scheiding, hoe smartelijk ook, een goed, omdat zij liefde is. Zelfs de angst van Christus in zijn verlatenheid is een goed. Er bestaat voor ons hier op aarde niets beters dan daarin te mogen delen. Wij kunnen vanwege onze vleselijke staat Gods tegenwoordigheid niet in volle werkelijkheid ervaren. Maar wel kunnen wij in het ernstigste ongeluk bijna ten volle zijn afwezigheid ondergaan. Dat is voor ons de enige mogelijkheid tot volmaaktheid. Daarom is het kruis onze enige hoop. «Geen woud kent zulk een boom, met zulk zaad, zulke bloemen en bladeren.»
De wereld waarin wij leven en waarvan wij een klein deel uitmaken, is deze afstand die er krachtens de goddelijke liefde bestaat tussen God en God. Wij zijn slechts een stipje in die tussenruimte. Tijd, ruimte en het mechanisme dat de materie beheerst, vormen deze ruimte. Wat wij het kwade noemen, is niet anders dan dit mechanisme. God heeft het zo gemaakt dat zijn genade, die tot in de kern van een mens indringt en daar zijn hele wezen verlicht, hem in staat stelt over het water te gaan, zonder schennis van de natuurwetten. Maar als een mens zich van God afwendt, dan levert hij zich uit aan de macht van de zwaartekracht. Hij meent nog altijd zelf te willen en te kiezen, doch hij is alleen een voorwerp, een vallende steen.
Beziet men geest en samenleving nauwkeurig, dan merkt men overal waar de kracht van het bovennatuurlijke licht afwezig is, een volstrekte gehoorzaamheid aan wetten die even blind en onverbiddelijk zijn als de wet van de zwaartekracht. Het inzicht daarin is weldadig en noodwendig. Mensen die wij misdadig noemen, zijn slechts door de storm losgerukte en bij toeval naar beneden vallende dakpannen. Hun enige schuld is de «oerkeuze», die hen tot deze dakpannen heeft gemaakt.

Het stelsel van de strakke wetmatigheid laat zich op alle niveaus transponeren, terwijl het toch zichzelf gelijk blijft. Bijvoorbeeld in de planten- en dierenwereld, in het leven der volkeren, in het zieleleven. Van ons gezichtspunt uit is dit mechanisme geheel blind. Maar indien wij onze geest buiten ons plaatsen, buiten ruimte en tijd, daar waar onze Vader is, en vandaar uit het stelsel bezien, dan krijgt het een heel ander aanzien. Wat noodzaak leek, wordt nu gehoorzaamheid.
De materie is volkomen passief en dientengevolge geheel en al gehoorzaamheid jegens God. Daarvan is zij voor ons dan het volmaakte toonbeeld. Er kan niets anders bestaan dan God en hetgeen God gehoorzaamt.

Door haar volmaakte gehoorzaamheid verdient de materie van harte aanvaard te worden door hen die van hun Meester houden, zoals een man met gevoelens van tederheid de borduurnaald beziet die de gestorven vrouw van wie hij hield, heeft gehanteerd. Wij worden op dat deel van onze liefde waarop de materie recht heeft, gewezen door de schoonheid van deze wereld, want daarin wordt de redeloze noodwendigheid een object van de liefde. Niets is mooier dan het spel van de zwaartekracht, in de vluchtige golfslag van d zee, of in de welhaast eeuwige golfbewegingen van de bergen.
De zee is er niet minder mooi om wanneer wij weten dat er dikwijls schepen op vergaan. Haar schoonheid is er des te groter door. Als zij de beweging van haar golven zou wijzigen om een schip te redden, dan zou de zee een wil en een onderscheidingsvermogen bezitten; dan zou zij niet een watermassa zijn die volmaakt gehoorzaamt aan alle uitwendige druk welke op haar wordt uitgeoefend. Het is deze volmaakte gehoorzaamheid die haar schoonheid juist uitmaakt.
Alle verschrikkelijke dingen die in deze wereld voorkomen zijn als de krullen en plooien die de golven krijgen door de werking van de zwaartekracht. Daarom zijn zij mooi. Soms kan een gedicht, zoals de Ilias, die schoonheid tastbaar maken.

De mens kan de gehoorzaamheid aan God nimmer opzeggen. Een schepsel kan niet anders dan gehoorzamen. De enige keuze die de mens gegeven is als vrij en redelijk wezen, is het wel of niet verlangen van die gehoorzaamheid. Indien hij haar niet verlangt, gehoorzaamt hij niettemin voortdurend, inzoverre hij iets is dat nu eenmaal onderworpen is aan het stelsel der wetmatigheid. Als hij de gehoorzaamheid aan God wel verlangt, dan blijft hij eveneens aan de noodzakelijkheid onderworpen, maar daar komt een nieuw soort noodzaak boven op, een noodzaak gevormd door wetten die uit de aard van het bovennatuurlijke voortvloeien. Bepaalde handelingen worden hem dan onmogelijk, andere voltrekken zich dikwijls on-
danks hem, door hem heen.
Als men dan het gevoel heeft in een dergelijk geval God niet gehoorzaamd te hebben, dan wil dat eenvoudig zeggen dat men gedurende een bepaalde tijd opgehouden heeft werkelijk die gehoorzaamheid te verlangen. Tot goed begrip diene dat de mens beslist niet onder overigens gelijke omstandigheden dezelfde handelingen verricht, of hij de gehoorzaamheid nu wel of niet verlangt. Er is toch ook verschil in de groei van een plant onder dezelfde omstandigheden, wanneer zij in het licht staat en als zij in het donker moet leven. De plant oefent echter geen enkele invloed uit op haar groei, terwijl wij mensen planten zijn, die als enige keuze hebben in het licht te gaan staan dan wel niet.
Christus heeft ons de gehoorzaamheid van de materie ten voorbeeld gesteld, toen hij ons wees op de leliën des velds die spinnen noch weven. Dat betekent dat de leliën niet zelf voor een of andere kleur gekozen hebben en daartoe nu hun wil hebben geactiveerd, of zich van bepaalde middelen hebben bediend om die kleur te verkrijgen, maar dat zij alles gekregen hebben wat de drang der natuur hun verschafte.
Als wij hen oneindig mooier vinden dan allerlei fraaie weefsels, dan is dat niet omdat ze mooier zijn, maar vanwege hun gehoorzaamheid. Het weefsel is ook gehoorzaam, maar niet aan God, doch aan de mens. De materie is niet mooi als zij aan de mens gehoorzaamt, maar alleen indien zij gehoorzaamt aan God. Zo vaak zij in een kunstwerk bijna dezelfde schoonheid verkrijgt als in de zee, de bergen of de bloemen, dan ligt de oorzaak bij het licht van God dat in de kunstenaar heeft geschenen.
Om dingen die door niet van Godswege verlichte mensen gemaakt zijn mooi te vinden, moet men ten diepste hebben begrepen dat deze mensen slechts materie zijn, materie die gehoorzaamt zonder het te beseffen.
Voor wie dit weet, wordt werkelijk alles hier op aarde mooi. Hij ontdekt in alles wat is en alles wat gemaakt wordt, het mechanisme van de noodwendigheid en proeft in die noodwendigheid de onbegrensde zoetheid van de gehoorzaamheid. Deze gehoorzaamheid van de dingen is voor ons doorzichtig tot op God, zoals een venster het licht doorlaat.
Als we een krant ondersteboven houden, dan zien wij onbegrijpelijke lettertekens. Als we hem rechtop houden, dan zien wij geen letters meer maar woorden. De passagier van een schip dat in een storm is verzeild, voelt elke roller als het omkeren van zijn maag. De kapitein ondergaat hem alleen als een ingewikkelde samenloop van wind, stroming en deining, met het schip, zijn vorm, tuigage en roer.
Zoals men lezen leert, een vak leert, zo leert men om, voor alles en bijna uitsluitend, in ieder ding de gehoorzaamheid van de wereld jegens God te verstaan. Dat moet inderdaad geleerd worden. En dat vraagt, als bij elk leren, nu eenmaal inspanning en tijd. Wie deze oefenschool doorlopen heeft, kent geen ander verschil tussen dingen en gebeurtenissen, dan het verschil dat iemand die kan lezen opmerkt bij dezelfde zin die enige keren met verschillende inkt en verschillende lettertypen is afgedrukt. Wie niet lezen kan, merkt alleen de verschillen op. Wie wel lezen kan, vindt de verschillende drukken gelijk, want de zin is immers dezelfde.
Wie heeft geleerd om de dingen aldus te zien, ervaart in alle dingen en gebeurtenissen altijd de uitstralingen van hetzelfde goddelijke, eindeloos tedere Woord. Dat wil niet zeggen dat hij geen lijden kent. De smart kleurt bepaalde gebeurtenissen. Bij een in rode inkt geschreven zin zien zowel wie lezen kan als wie dat niet kan se rode kleur, maar de tint heeft niet voor beiden dezelfde beteken.is
Als een leerling zich bij het werk bezeert of over moeheid klaagt, dan hebben arbeiders en boeren dit typerende gezegde: het werk is hem in de leden gaan zitten. Telkens wanneer wij zelf pijn lijden, kunnen wij terecht zeggen dat het de wereld is, de wereldorde, de schoonheid van het heelal, de gehoorzaamheid van de schepping jegens God, die ons in de leden is gaan zitten. Hoe zouden wij dan niet met groter dankbaarheid de liefde zegenen,
gave zendt?

Vreugde en verdriet zijn beiden even kostbaar; men moet de een en de ander gelijkelijk tot zich nemen, elk in eigen zuiverheid, en men dient ze niet met elkaar te vermengen. Door de vreugde dringt de schoonheid der wereld in onze ziel binnen. Door het verdriet komt zij in ons lichaam. Alleen met de vreugde zouden wij evenmin Gods geliefde kinderen kunnen worden als men kapitein worden kan door slechts de regels van de stuurkunst te leren.
Het lichaam moet in deze oefenschool delen. Op het gebied van het lichamelijke gevoel is de pijn een contact met de noodwendigheid die de orde van deze wereld bepaalt; want de vreugde heeft geen indruk van die noodwendigheid. Alleen een hoger deel van het gevoelsleven is in staat het noodwendige in de vreugde te onderkennen en dan nog alleen juist door middel van het schoonheids- gevoel zelf.
De omvormende kracht van het verdriet zowel als die van de vreugde zijn onmisbaar, willen wij eens volkomen open staan voor een gehoorzaamheid die tot de kern der materie behoort, en wil in ons dat nieuwe inzicht ontwaken waardoor wij het heelal verstaan als de uitstraling van het Woord van God. Tot verdriet en vreugde moet men bereid zijn wanneer zij zich aan ons voordoen; bereid om voor hen het binnenste van onze ziel te openen, net zoals men zijn deur opent voor degene die ons over goede vrienden komt berichten. Wat doet het er toe of zo’n berichtgever nu beleefd dan wel onbeschoft is, als hij maar nieuws weet te vertellen.
Ongeluk is echter niet hetzelfde als pijn. Het ongeluk is iets heel anders dan een pedagogische ingreep van God.

De oneindigheid van tijd en ruimte scheiden ons van God. Hoe zouden wij hem kunnen gaan zoeken en naar hem toegaan? Al liepen wij alle eeuwen door, wij zouden alleen maar in een kring om de aarde heen draaien. Ook met een vliegtuig zouden wij geen ander resultaat bereiken. Wij zijn niet bij machte ons naar boven te begeven. Wij kunnen geen stap in de richting van de hemel doen. God komt door de kosmos heen tot ons.
Over de eindeloze tijd en ruimte komt Gods nog oneindig eindelozer liefde, om ons aan te raken. Wij hebben de macht hem toe te laten of de toegang te weigeren. Als wij doof blijven voor zijn komst, dan komt hij, net als een bedelaar, keer op keer terug, maar op een dag komt hij niet meer. God legt een heel klein zaadje in ons en gaat dan heen. Vanaf dat tijdstip hebben wijzelf, noch God, iets anders te doen dan te wachten. Wij moeten alleen maar onze toestemming, ons jawoord, blijven beamen. Dat is moeilijker dan het lijkt, want het groeien van het zaad in ons doet pijn. Wanneer wij deze groei werkelijk willen, dan zullen wij niet kunnen nalaten om alles wat die groei belemmert uit de weg te ruimen, onkruid te wieden, gras uit de grond te trekken; helaas is dat gras iets van ons eigen vlees, zodat dit tuinmanswerk een pijnlijke arbeid is. Uiteindelijk groeit het zaad uit eigen kracht.
Eens komt het moment dat de ziel God toebehoort, het moment waarop zij niet alleen maar met de liefde instemt, doch werkelijk zelf liefheeft. Nu moet zij op haar beurt door de hele kosmos gaan om tot God te komen. De ziel kent dan niet meer de schepselmatige liefde, maar een goddelijke, ongeschapen liefde. Want het is Gods liefde voor zichzelf die door de ziel heengaat. Alleen God is in staat God lief te hebben. Ons is het alleen gegeven om van harte onze eigen gevoelens te laten verdwijnen en zo ruimte te maken voor deze liefde. Dat houdt in dat wij onszelf verzaken. Wij zijn geschapen opdat wij daartoe bereid zouden zijn.
De goddelijke liefde heeft de oneindigheid van ruimte en tijd doorkruist om van God tot ons te gaan. Maar hoe kan die liefde de weg terug afleggen, wanneer zij uit een eindig schepsel komt? Wanneer het zaad der goddelijke liefde dat in ons werd gelegd, ontkiemt en een boom geworden is, hoe kunnen wij, de grond die de boom draagt, hem terugvoeren tot zijn oorsprong, in omgekeerde richting de weg afleggen die God naar ons toe is gegaan?
Dat lijkt op het eerste gezicht onmogelijk, maar er is een middel. Dat middel kennen wij heel goed. Wij weten wel waarop de boom gelijkt die uit onszelf is gegroeid, die prachtige boom waarin de vogels nestelen. Wij weten, wat de schoonste boom ter wereld is. «Geen woud is zo’n boom rijk.»
Iets dat nog erger is dan een galg, dat is de schoonste boom ter wereld. Het is deze boom waarvan God het zaad in ons heeft geplant zonder dat wij beseften om welk zaad het ging. Indien wij het had den geweten, dan zouden wij niet van stonde af aan ja gezegd hebben. Deze boom is het nu die in ons groeide en voorgoed in ons is geworteld. Alleen een verloochening kan hem ontwortelen.
Als men met een hamer op een spijker slaat, dan zet de klap op de kop van die spijker zich helemaal voort tot aan de punt; al is het maar een punt, alle kracht van de klap verzamelt zich erin. Wanneer de hamer en de kop van de spijker nu eens onbegrensd van omvang waren, dan zou precies hetzelfde gebeuren. De spijkerpunt zou deze oneindige klap geheel en al overbrengen op de plek waar zij in geslagen wordt.
Het uiterste ongeluk, dat tevens fysieke pijn is, de ziel ontreddert en de mens sociaal veracht maakt, is deze punt van de spijker, die op het centrum van de ziel gericht is. De kop van de spijker is alle noodwendigheid, verspreid door het geheel van tijd en ruimte. Het ongeluk is een wonder van goddelijke kunst, een eenvoudig en ingenieus geval, dat in de ziel van een schepsel een onbegrensde blinde, brute en kille macht doet heersen. De eindeloze afstand die God van het schepsel scheidt, concretiseert zich volkomen in één punt om de ziel in haar kern te doorboren.
De mens wie zoiets overkomt, heeft geen enkel deel aan deze ingreep. Hij spartelt als een vlinder die men levend in een album prikt. Maar hij kan door de verschrikking heen blijven volharden in zijn wil tot liefde. Dat is hem volstrekt mogelijk, niets verhindert hem daartoe – ja, men zou bijna kunnen zeggen dat hem daartoe geen strobreed in de weg wordt gelegd. Want de hevigste smart kan, zolang men niet bezwijmt, niet dát deel van de ziel aantasten dat in de goede richting wil blijven zien. Men dient alleen te weten dat de liefde een bepaalde manier van oriëntatie is en niet een toestand. Bedenkt men dat niet, dan vervalt men al bij de eerste aanval van het ongeluk tot wanhoop.
Wiens ziel gericht blijft op God, terwijl ze door de spijker is door- boord, bevindt zich in het centrum van het heelal. Het ware centrum, dat niet óns midden is, en buiten tijd en ruimte is gelegen, dat is God. De spijker heeft in een dimensie die niet behoort aan tijd en ruimte, een gat geslagen dwars door de schepping heen, dwars door het zware scherm dat de ziel scheidt van God.
Door deze wonderbaarlijke dimensie heen kan de ziel het geheel van tijd en ruimte doorkruisen, zonder de plaats en de tijd waarop het met haar verbonden lichaam zich bevindt te verlaten, en zodoende tot God zelf naderen.
De ziel bevindt zich dan op het snijpunt van de schepping en van de Schepper. Dat snijpunt is het punt waar de balken van het kruis elkaar snijden. Paulus dacht waarschijnlijk hieraan toen hij de volgende woorden neerschreef: «Weest gegrond en geworteld in de liefde zodat gij in staat zult zijn te vatten hoe groot de breedte is en lengte en hoogte en diepte en te kennen de liefde van Christus, die alle kennis te boven gaat» (Efesiërs 3:18,19).


BESCHOUWINGEN
VORMEN VAN INDIRECTE LIEFDE TOT GOD

Weil, Simone, Wachten op God, Utrecht 1997, (Erven J. Bijleveld), pag. 97-98

Het gebod «heb God lief» drukt in zijn gebiedende wijs uit dat het niet alleen betrekking heeft op de instemming dan wel op de weigering die de ziel geven kan wanneer God zelf om de hand van zijn toekomstige bruid komt vragen, maar ook op een liefde die aan dat be- zoek voorafgaat.
Deze voorafgaande liefde kan God niet tot doel hebben, want God is er niet tegenwoordig en is het nog nooit geweest. Zij heeft dus een object van andere aard, maar is toch bestemd om liefde tot God te worden. Men kan haar indirecte of impliciete liefde noemen.
Dat geldt ook nog wanneer het object van die liefde de naam van God draagt. Want men kan dan zeggen dat deze naam alleen in oneigenlijke zin is gebruikt, of dat het gebruik zich slechts laat wettigen door de gevolgen die het moet hebben.
De indirecte liefde tot God kan zich slechts op drie directe objecten richten, de enige objecten hier op aarde waarin God wel verborgen maar toch werkelijk aanwezig is: de eredienst, de schoonheid van de wereld en de naaste. Dat maakt dus drie liefdes.
Misschien moet er de vriendschap aan worden toegevoegd, maar strikt genomen verschilt zij van de naastenliefde.
Deze indirecte liefde is in alle drie vormen precies gelijkwaardig.
Al naargelang de omstandigheden, het temperament en de roeping, ontuikt een van de drie vormen van liefde het eerst in de ziel; één van drieën is in de loop van de voorbereidende periode overheersend, al hoeft zij niet over de hele periode dezelfde te zijn.
Waarschijnlijk zal in de meeste gevallen deze periode van voorbereiding naar voltooiing niet bereiken en zal de ziel niet ontvankelijk zijn voor het persoonlijk bezoek van haar Heer, wanneer die ziel niet in belangrijke mate deze drie vormen van indirecte liefde kent.
Deze drie vormen namelijk tezamen betekenen de liefde tot God of de wijze die bij deze periode van voorbereiding past, in een nog onontwikkelde gestalte dus.
Deze drie vormen van liefde verdwijnen niet als de eigenlijke liefde de tot God in de ziel ontwaakt. Zij wordt alleen veel sterker, en versmelt met de andere, hogere vorm der liefde.
De verborgen en nog niet uitgegroeide vorm van de indirecte liefde gaat noodzakelijk voorop en is vaak voor zeer lange tijd de enige vorm van liefde in de ziel; ja, bij veel mensen blijft dat waarschijnlijk zo tot aan hun dood. Deze verborgen lierde kan een hoge graad van zuiverheid en kracht ontwikkelen. leder van deze vormen van liefde waartoe een bewogen ziel in staat is, heeft de kracht van een sacrament.


BESCHOUWINGEN
DE LIEFDE TOT DE NAASTE

Weil, Simone, Wachten op God, Utrecht 1997, (Erven J. Bijleveld), pag. 99-114

Christus heeft er duidelijk op gewezen toen hij over de naastenliefde sprak. Hij heeft immers gezegd: «Ik heb honger gehad en gij hebt mij te eten gegeven.» Hoe kan een mens Christus een weldaad bewijzen als hij niet – zij het slechts voor een ogenblik – tot die staat verheven is waarover Paulus spreekt, zeggende: niet meer ik, doch Christus leeft in mij.
In de tekst van het evangelie is alleen sprake van Christus’ tegenoordigheid in de ongelukkige. Toch komt het mij voor dat er niet wordt gesproken over de geestelijke waardigheid van degene die ontvangt. Men moet dan ook aannemen dat de weldoener zelf, als drager van Christus, door brood te geven Christus zelf laat binnengaan in de ongelukkige die honger lijdt. De ander kan al dan niet instemmen met deze tegenwoordigheid van Christus, juist zoals degene die ter communie gaat dat kan. Als de gave op de goede wijze gegeven en ontvangen wordt, is het feit dat de ene mens aan de andere een stuk brood geeft zoiets als een echte communie.
De weldoeners van Christus worden door hem niet «geliefde kinderen» of «vrienden» genoemd. Hij noemt hen «rechtvaardigen». Het evangelie maakt geen enkel onderscheid tussen naastenliefde en rechtvaardigheid. Ook in de ogen der Grieken was de eerbied voor Zeus als god van de smekelingen de eerste plicht der rechtvaardigheid. Wij hebben een onderscheid tussen rechtvaardigheid en liefdadigheid uitgevonden, en het is niet moeilijk te bedenken waarom. Ons begrip van rechtvaardigheid ontslaat degene die veel bezit van de plicht om met anderen te delen. Als hij toch schenkt,
Dan neemt hij heel tevreden te kunnen zijn over zichzelf. Hij denkt een goed werk te hebben gedaan. De ontvangende partij wordt in deze gedachtengang van elke plicht tot dankbaarheid ontslagen of gedwongen om op een slaafse manier zijn dank te betuigen.
Slechts een volstrekte gelijkstelling van rechtvaardigheid en lief- de maakt dat medelijden en dankbaarheid beide mogelijk zijn, en ook dat men eerbied heeft voor de zin van het ongeluk, zowel voor het slachtoffer als voor de weldoener.
Men moet bedenken dat geen enkele goedheid verder kan gaan dan de rechtvaardigheid. Maar men dient de rechtvaardige te bedanken voor zijn rechtvaardigheid (omdat de rechtvaardigheid zulk een verheven zaak is), zoals men God dankt om zijn grote glorie. Elke andere vorm van dankbaarheid is slaafs en dierlijk.
Het enige verschil tussen iemand die bij een daad van rechtvaardigheid aanwezig is en degene die er het materiële voordeel van ondergaat, is hierin gelegen dat de schoonheid van de rechtvaardigheid voor de eerstgenoemde niet meer dan een schouwspel is, terwijl zij door de tweede ervaren wordt en zelfs voedsel betekent. Daarom moet het gevoel dat bij de eerste alleen bewondering is, bij de tweede tot een veel hoger graad worden opgevoerd door het vuur der dankbaarheid.
Ondankbaar zijn als we rechtvaardig werden behandeld in situaties waarin onrechtvaardigheid heel wel mogelijk was, betekent zichzelf te beroven van de bovennatuurlijke kracht die iedere waarlijk rechtvaardige handeling de waarde van een sacrament verleent.

Niets geeft een beter begrip van deze kracht dan de leer der natuurlijke rechtvaardigheid die met onvergelijkelijke eerlijkheid weergegeven is in een paar schitterende zinnen bij Thucydides.
De Atheners wilden tijdens de oorlog met de Spartanen de bewoners van het kleine eiland Melos, van oudsher bondgenoten van de Spartanen en tot op dat ogenblik neutraal gebleven, dwingen om hun zijde te kiezen. Tevergeefs beriepen dezen zich, toen door de Atheners een ultimatum werd gesteld, op de rechtvaardigheid en smeekten om medelijden op grond van de eerbiedwaardige ouderdom van hun stad. Toen zij niet wilden wijken, verwoestten de Atheners de stad, doodden alle mannen, en verkochten alle vrouwen en kinderen als slaaf.
De volgende woorden worden de Atheners door Thucydides in de mond gelegd. Zij beginnen met te zeggen dat zij niet zullen proberen te bewijzen dat hun ultimatum juist is.
«Laat ons alleen spreken over het mogelijke […] U weet het net zo goed als wij: de menselijke geest is zodanig dat alleen dan nauwkeurig wordt nagegaan of iets rechtvaardig is, wanneer gelijkheid aan beide kanten daartoe noopt. Maar indien er een sterke tegenover een zwakke staat, wordt al wat maar mogelijk is opgelegd door de eerste, en noodgedwongen aanvaard door de tweede.»
De Meliërs zeiden dat mocht het tot een oorlog komen, de goden met hen zouden zijn vanwege de rechtvaardigheid van hun zaak. De Atheners antwoordden dat zij geen enkele reden wisten om dat te veronderstellen.
«Wij hebben ten aanzien van de goden het geloof en ten aanzien van de mensen de zekerheid, dat een ieder daar waar hij er de mogelijkheid voor heeft uit natuurlijke noodzakelijkheid steeds gaat heersen. Niet wij hebben die wet bedacht, en ook zijn wij de eersten niet, die haar in praktijk brengen. Wij vonden haar als een sinds lang bestaande wet en wij handhaven haar in de veronderstelling dat zij voor altijd blijft gelden. Wij weten dat ook gij, net als alle anderen, zo zoudt handelen, wanneer gij tot dezelfde machtpositie zoudt zijn gekomen.”
Dit scherpzinnige inzicht in wat onrechtvaardigheid betekent, is een licht dat zonder meer flauwer schijnt dan de lamp der barmhartigheid. Het is een schijnsel dat nog enige tijd waarneembaar blijft waar de barmhartigheid aanvankelijk aanwezig was, maar nu is uitgedoofd. Daaronder heerst de duisternis waarin de sterke verkeert en oprecht gelooft dat zijn zaak zeer veel rechtvaardiger is dan die van de zwakke. Dat was bijvoorbeeld het geval met de Romeinen en de Israëlieten.

Mogelijkheid, noodzaak, dat zijn in bovenstaande regels de termen, die aan de rechtvaardigheid zijn tegengesteld. Alles wat een sterke aan een zwakkere kan opleggen is mogelijk. Het is redelijk te onderzoeken waartoe die mogelijkheid leidt. Als men haar als bekend veronderstelt, dan is het zeker dat de sterke zijn wil tot aan de uiterste grens van het mogelijke zal opleggen. Dat is een mechanische noodzaak. Anders zou het zijn alsof hij tezelfdertijd wel en niet zou willen. In dit opzicht geldt voor de sterke evenzeer de noodzaak als voor de zwakke.

Als twee mensen samen iets moeten doen en geen van beiden heeft de macht om de ander iets op te leggen, dan moeten zij zich met elkaar verstaan. Men onderzoekt dan wat rechtvaardig is, want alleen dat vermag twee uiteenlopende wilsrichtingen te doen samenvallen. Gerechtigheid is het beeld van de liefde die in God Vader en Zoon verenigt en de gemeenschappelijke gedachte is van verschillende denkende mensen.
Maar wanneer er een sterke en een zwakke zijn, is er geen behoefte twee wilsuitingen tot eenheid te brengen. Er is alleen de wil van de sterke, de onderliggende partij gehoorzaamt. Het gaat net zo toe als wanneer iemand materie hanteert. Ook daar gaat het niet om het samenvallen van twee afzonderlijke wilsuitingen. De mens wil en de materie ondergaat die wil. De zwakke is als een dood ding. Er is beslist geen verschil tussen het gooien van een steen om een hond weg te jagen en tot een slaaf te zeggen: jaag die hond weg.
Vanaf een bepaalde graad van ongelijkheid in de ongelijke machtsverhoudingen tussen de mensen gaat de zwakkere over in de staat van materie en volstrekt verlies van zijn persoonlijkheid. In de Oudheid zei men: «Op de dag dat iemand slaaf wordt, verliest hij zijn halve ziel.»
Een weegschaal in evenwicht, beeld van een gelijke verhouding van krachten, is in de gehele Oudheid, en vooral in Egypte, het symbool geweest van de gerechtigheid. Zo is zij waarschijnlijk een godsdienstig voorwerp geweest, alvorens in de handel te zijn gebruikt. Dit gebruik is het beeld van die wederzijdse overeenkomst. Het wezen der rechtvaardigheid, die het handelsverkeer regelt. De definitie van de rechtvaardigheid als resultante van een wederzijdse instemming, zoals die in de wetgeving van Sparta te vinden is, was ongetwijfeld van Aegeisch-Kretenzische oorsprong.
Diegene bezit de bovennatuurlijke deugd der rechtvaardigheid, die – hoewel de sterkste in de ongelijke krachtsverhouding – zich zo gedraagt alsof er gelijkheid bestaat; en wel een volkomen gelijkheid tot in de kleinste details, want een klein verschil in toon en houding kan voldoende zijn om de mindere partij terug te werpen in de toestand van materie die hem in de gegeven situatie past, zoals water, dat beneden het vriespunt vloeibaar is gebleven, door de minste aanraking bevriest.
Voor de zwakkere betekent deze deugd dat hij niet gaat denken dat er van gelijke macht sprake is, en hij erkent dat de edelmoedigheid van de sterkere de enige oorzaak is van de behandeling die hij ondergaat. Dat noemt men dankbaarheid.
Wordt de zwakkere partij op een andere manier behandeld, dan bestaat de bovennatuurlijke deugd der rechtvaardigheid in het inzicht, dat de door hem ondergane behandeling wel verschilt van wat de rechtvaardigheid vereist, maar aan de andere kant overeenkomt met de noodzaak en het mechanisme van de menselijke natuur. Hij moet standhouden zonder zich te onderwerpen en ook zonder in opstand te komen.
Wie mensen die ver beneden hem staan in macht als zijns gelijken behandelt, schenkt hun werkelijk die menselijke waardigheid waarvan het lot hen beroofde. Voorzover dat een schepsel mogelijk is, volgt hij tegenover deze mensen de oorspronkelijke edelmoedigheid van de Schepper na.
Deze deugd is christelijk bij uitstek. Zij is dezelfde, die door de woorden uit het Egyptische dodenboek wordt vertolkt, woorden even subliem als die uit het evangelie: «Ik heb nooit iemand doen huilen. Ik heb nooit een hoge toon aangeslagen. Ik heb nimmer iemand vrees ingeboezemd. Ik ben nooit doof geweest voor juiste en ware woorden.»
De dankbaarheid aan de kant van de ongelukkigen is, als zij zuiver van aard is, niets anders dan een deel van deze zelfde deugd; want wie anders kan haar herkennen dan wie ertoe in staat is? De anderen ondervinden de gevolgen van deze deugd, maar herkennen haar niet als zodanig.
Zulk een deugd staat gelijk aan werkelijk geloof in de ware God. De Atheners van Thucydides dachten dat de godheid, net zoals de mens in zijn natuurlijke staat, overal gebiedt voor zover dat maar enigszins mogelijk is.
De ware God is echter die God, die wij wel almachtig weten, maar die niet overal heerst waar Hij er de macht toe heeft. Hij woont slechts in de hemelen of hier op aarde in het verborgene.
De Atheners die de Meliërs uitroeiden, hadden van zo’n God geen idee meer. Een eerste bewijs voor hun vergissing is wel dat het in tegenstelling tot hun mening – zij het zeer zelden – voorkomt dat een mens uit pure edelmoedigheid ervan afziet te heersen daar waar hij daartoe de macht heeft. Wat voor een mens mogelijk is, is voor God mogelijk
Men kan deze voorbeelden betwisten. Maar indien met een of ander voorbeeld bewezen kon worden dat hier alleen edelmoedigheid werkzaam is, dan zou er een algemene bewondering voor zulk een edelmoedigheid komen. Welnu, wat de mens bewonderen kan, is mogelijk voor God.
Het beeld dat deze wereld biedt, is een nog krachtiger bewijs. Het zuiver goede komt nergens voor: Óf God is niet almachtig, óf hij is niet volkomen goed, óf hij heerst niet overal waar hij er de macht toe heeft.
Derhalve is het bestaan van het kwade het tegendeel van een weerlegging van de werkelijkheid van God, doch juist een onthulling van Gods waarheid.

De schepping is van de kant van God gezien niet een expansie maar een samentrekking, een afstand doen. God en alle schepselen, dat is minder dan God alleen. God heeft deze vermindering aanvaard. Hij heeft een deel van het «zijn» in zich ontledigd. In deze daad van zijn goddelijkheid heeft hij zichzelf reeds ontledigd. Het is juist daarom dat Johannes zegt dat het Lam geslacht is van de grondlegging der wereld af.
God heeft het bestaan verleend aan wat anders is en van oneindig minder waarde dan hijzelf. Hij heeft zichzelf in de scheppingsdaad verloochend, zoals Christus ons geboden heeft onszelf te verloochenen. God heeft zichzelf ter wille van ons verloochend, om ons de gelegenheid te geven ons ter wille van hem te verloochenen. Dat antwoord, deze echo die wij kunnen weigeren, is de enige rechtvaardiging van de dwaasheid der liefde die ons in het aanzijn riep. De godsdiensten die dit afstand doen, deze vrije abdicatie, dit vrijwillige terugtreden van God, zijn klaarblijkelijke afwezigheid en zijn verborgen tegenwoordigheid op aarde hebben verstaan, vormen tezamen de ware religie, de in verschillende talen gegeven vertolking van de oeropenbaring. De godsdiensten, die zich de godheid voorstellen als een over zijn gehele machtsgebied heersende god, zijn onwaar: Ook al zijn ze monotheïstisch, ze zijn afgoderij.
De mens die door het ongeluk tot een trage en passieve materie geworden, en door de edelmoedigheid van een ander ten minste voor enige tijd weer een echt mens is geworden, ontvangt wanneer hij deze edelmoedigheid in haar ware wezen kan verstaan, een ziel die uitsluitend uit liefde is geboren. Hij is vanuit de hoge geboren uit water en geest (het woord uit het evangelie «anothen» betekent vaker «vanuit de hoge» dan «opnieuw»). Met liefde de naaste bejegenen betekent zoveel als hem dopen.
De hulpvaardige kan alleen zo handelen als hij deed, wanneer hij zich in gedachten in de ander heeft verplaatst. Ook hij is op dat ogenblik slechts water en geest.
Edelmoedigheid en medelijden zijn onafscheidelijk en hebben in God, dat is de schepping en het lijden van Christus, hun voorbeeld.
Christus leerde ons dat de bovennatuurlijke naastenliefde niets anders is dan de uitwisseling van medelijden en dankbaarheid, die als een lichtflits tussen twee wezens ontstaat, waarvan de één een menselijke persoonlijkheid bezit en de ander niet. Die laatstgenoemde is slechts een weinig naakt vlees, dat krachteloos en bebloed aan de kant van de weg ligt, naamloos en door niemand gekend. De voorbijgangers merken hem, dat dode ding, nauwelijks op, en een paar minuten later weten ze niet eens meer dat zij het gezien hebben. Slechts een enkeling staat stil en slaat er acht op. Wat hij daarna zal doen is alleen het automatische gevolg van dit ene ogenblik van aandacht.
Deze aandacht heeft scheppende kracht. Maar op het ogenblik waarop zij plaatsvindt, is zij verloochening. Tenminste als zij zuiver is. De mens aanvaardt een vermindering door zijn energieverbruik zo te richten dat hij zin macht niet vergroot, maar het een ander wezen mogelijk maakt onafhankelijk van hem te bestaan. Meer nog: wie het bestaan van de ander werkelijk wil, moet zich daartoe met medegevoel in hem verplaatsen en dient bijgevolg te delen in de toestand van trage materie waarin die ander verkeert.
Zo’n handeling gaat tegen de menselijke natuur in, evenzeer bij iemand die nooit het ongeluk aan den lijve ervaren heeft en ook niet weet wat het is, als bij diegene die het heeft gekend of voorvoeld en het vol ontzetting in zich heeft opgenomen.
Er is niets bijzonders aan de hand als iemand die brood heeft er een stuk van aan een hongerig medemens geeft. Maar het is wel bijzonder als hij dat gebaar maakt op een andere manier dan waarop je iets koopt. De aalmoes lijkt namelijk, als zij niet van bovennatuurlijke aard is, op het doen van een koop. Zij koopt de ongelukkige.
Wat iemand ook moge willen, of het nu gaat om een misdrijf of om een daad van hoge deugdzaamheid, om de onnozelste kwestie of om de grootste onderneming, steeds wil de mens vóór alles naar eigen vrije wil handelen. Wie dit nu ook een ander die van zijn vrijheid beroofd werd door het ongeluk, van harte toewenst, verplaatst zich in de ander, geeft zich aan het leed over, dat wil zeggen: aan de vernietiging van het eigen ik. Het is: zichzelf verloochenen en door dat te doen, krijgt men, na en naast God, het vermogen een ander op een scheppende wijze te beamen. Wij geven ons dan als losprijs voor anderen. Het gaat hier om een verlossende handeling.

De sympathie van de zwakkere voor de sterkere is van natuurlijke aard, want door zich in de ander te verplaatsen krijgt bij een denkbeeldige kracht. De sympathie van de sterkere voor de zwakker, die in omgekeerde richting verloopt, is tegennatuurlijk.
Daarom is de sympathie van de zwakkere voor de sterkere alleen dan zuiver, wanneer hij zich uitsluitend richt op de sympathie van die ander voor hem, gesteld dat die ander werkelijk edelmoedig is. Hier vinden wij nu de bovennatuurlijke dankbaarheid, die uit de vreugde bestaat het voorwerp te zijn van een bovennatuurlijk medelijden. Alleen op die wijze wordt het besef van eigenwaarde niet aangetast: en dat dit niet gebeurt, is op zichzelf al een bovennatuurlijke zaak. De zuivere dankbaarheid en het ware medelijden betekenen wezenlijk dat men instemt met het ongeluk. De lijdende mens en zijn weldoener, tussen wie het wisselvallig lot een oneindige af- stand heeft gebracht, zijn in deze instemming één. Er is vriendschap tussen hen in de pythagorische zin des woords, een wonderbaarlijke harmonie en gelijkheid.
Op hetzelfde ogenblik erkennen beiden dat het beter is niet overal waar men ertoe in staat is, zijn wil gebiedend op te leggen. Als deze gedachte de gehele ziel vervult en de verbeelding waaruit onze handelingen voortkomen beheerst, dan is zij de grondslag van het ware geloof. Want zij verplaatst het goede buiten de wereld waarin wij de oorsprong van alle macht vinden. Zij erkent het goede als voorbeeld voor die verborgen plek in de kern van de mens, die de bron van de zelfverloochening is.
Wij kunnen deze gedachte ook toepassen op de kunst en de wetenschap. Waar het gaat om tweedeklas werk, hetzij briljant of mediocre, zien we een vergroting van het eigen ik; werk van de hoogste orde, het ware scheppen, betekent zelfverloochening. Men onderkent die waarheid niet, want de roem vermengt het werk dat op het hoogste niveau ligt met het meest briljante werk van tweede rang en overtrekt beide gelijkelijk met haar schittering, plaatst vaak de laatste soort van prestaties zelfs op de voorgrond.
De liefde jegens de naaste, die door de scheppende aandacht wordt voortgebracht, is analoog aan het geniale.
De scheppende aandacht bestaat uit het schenken van werkelijke aandacht aan iets dat er niet is. Er is geen menselijkheid te vinden in het naamloze, bewegingloze vlees langs de weg. De Samaritaan die stilstaat en ziet, richt echter toch zijn aandacht op deze afwezige menselijkheid, en de daden die er het gevolg van zijn, getuigen dat het een werkelijke aandacht was.
Het geloof is volgens Paulus het zien van onzichtbare dingen. In dat ogenblik van aandacht is het geloof met de liefde aanwezig.
Iemand die helemaal aan de willekeur van een ander is overgeleverd bestaat niet meer. Een slaaf heeft noch in de ogen van zijn meester, noch in eigen oog, een eigen bestaan. Wanneer de zwarte slaven van Amerika per ongeluk een voet of hand blesseerden, dan zeiden ze: «Dat hindert niet, het is de hand, de voet van de meester» Wie volledig verstoken is van die goederen waarin het maatschappelijke aanzien is gelegen bestaat niet. Een Spaans volksliedje zegt het buitengewoon treffend: «Als iemand zich onzichtbaar wil maken, dan is er geen beter middel dan om arm te worden.» De liefde nu ziet wat onzichtbaar is.
God heeft wat niet was gedacht, en hij heeft het door dit denken in het aanzijn geroepen. Iedere seconde bestaan wij alleen door het feit dat God ons «denken wil», hoewel dit bestaan ons niet toekomt. Tenminste, zo stellen wij ons de schepping voor op een menselijke en daarom onjuiste wijze; toch bevat deze voorstelling een element van waarheid. Alleen God heeft de mogelijkheid als werkelijkheid te denken wat niet bestaat. Slechts God, in ons tegenwoordig, is in staat de menselijke waarde in de door het ongeluk getroffenen te denken, hen werkelijk anders te bezien dan als dode dingen, echt te luisteren naar hun stem als zij de mond openen. Zijzelf bemerken dan dat zij een stem hebben, want op een andere manier krijgen ze daartoe de kans niet.
Zo moeilijk als het is echt naar een ongelukkige te luisteren, zo moeilijk is het voor het slachtoffer van het ongeluk te weten dat alleen uit werkelijk medeleven naar hem geluisterd wordt.
De naastenliefde is de liefde die van God uit neerdaalt naar de mens. Zij gaat aan de liefde die van de mens uit opstijgt tot God vooraf. God haast zich om af te dalen naar de ongelukkigen. Zodra een ziel geneigd is tot instemming – al is zij de geringste, ellendigste en meest misvormde ziel op aarde – haast God zich tot haar, om door haar heen de ongelukkigen aan te zien en naar hen te luisteren. Alleen na verloop van tijd merkt zij deze tegenwoordigheid op. Ook al zou zij er geen naam aan weten te geven, het is God die overal aanwezig is waar de ongelukkigen om henzelf bemind worden.
God blijft echter afwezig, ook al wordt zijn Naam aangeroepen, als de door het ongeluk getroffenen slechts een gelegenheid vormen om goed te doen. Want dan vervullen zij hun natuurlijke functie, die van materie, van dood ding. Er gaat dan slechts een onpersoonlijke liefde naar hen uit. Maar zij vragen in hun anonimiteit en passieve staat om een persoonlijke genegenheid.
Daarom zijn uitdrukkingen zoals «de naaste liefhebben in God, omwille van God» bedrieglijk en dubbelzinnig. Men kan nooit genoeg alle beschikbare aandacht aanwenden om dat hoopje onbeweeglijk, naakt vlees langs de weg op te merken. Op zo’n moment gaat het er niet om aan God te denken. Zoals er ogenblikken zijn waarop wij alleen aan God moeten denken en alle schepselen dienen te vergeten, zo is er ook een tijd waarop we de schepselen moeten aanzien zonder daarbij uitdrukkelijk aan God te denken. Op dit soort momenten wordt Gods aanwezigheid in ons zo diep verborgen, dat zij voor onszelf een geheim blijft. Er zijn ogenblikken waarin het denken aan God ons juist van hem verwijdert. De schroom is voorwaarde voor de echtvereniging.
In de ware liefde zijn wij het niet zelf die in God de ongelukkigen liefde toedragen, maar het is God in ons die dat doet. Als wij in het ongeluk zijn geraakt, is het God in ons die liefheeft wie ons weldoen. Medelijden en dankbaarheid komen van God en waar zij een blik met elkaar wisselen, daar is God tegenwoordig. De ongelukkige en diens weldoener zijn elkaar genegen door God heen en van God uit; maar dit beslist niet uit liefde tot God. Hier is wederzijdse liefde aanwezig, een onmogelijk iets. Om die reden komt het alleen door God tot stand.
Wie brood weggeeft aan een hongerend medemens uit liefde voor God wordt niet door Christus beloond. Hij heeft zijn loon reeds in dit motief van zijn daad zelf. Christus beloont degenen die niet wisten aan wie zij brood gaven.
Overigens is het geschenk slechts een van de mogelijke vormen van de liefde jegens de ongelukkigen. Macht betekent altijd macht tot goed doen of macht tot kwaad doen. Bij zeer ongelijke verhoudingen kan de sterkere ten opzichte van de zwakkere rechtvaardig zijn, hetzij door hem met recht goed te doen, hetzij door hem met recht kwaad te doen. In het eerste geval spreken wij van een aalmoes, in het tweede geval van kastijding, van straf.
Een rechtvaardige straf veronderstelt evenzeer als de aalmoes Gods werkelijke aanwezigheid en betekent zo iets als een sacrament. Dat staat ook duidelijk in het evangelie, en wel in deze woorden: «Wie uwer zonder zonden is, werpe de eerste steen» (Johannes 8:7b). Alleen Christus was zonder zonden.
Christus heeft de overspelige vrouw gespaard. De functie van de strafuitoefening paste niet bij zijn aardse bestaanswijze die aan het kruis zou eindigen, maar hij gebood niet de afschaffing van het strafrecht. Hij stond toe dat men voortging met het gooien van stenen. Overal waar men dat terecht doet, is Christus de eerste die zo’n steen gooit. En zoals hij aanwezig is in de hongerende mens die door een rechtvaardige voedsel krijgt, zo is hij ook aanwezig in degene die door een rechtvaardige wordt gestraft.
Dat heeft Christus niet gezegd, maar hij heeft het duidelijk gemaakt toen hij stierf als een gewone misdadiger. Hij is het goddelijk voorbeeld voor alle recidivisten. Zoals de jonge arbeiders in de christelijke vakbeweging bezield worden door de gedachte dat Christus één der hunnen was, zo zouden de recidivisten terecht dezelfde gedachte kunnen koesteren. Men zou het ze alleen moeten zeggen, zoals men het ook de arbeiders zegt. In zekere zin staat Christus dichter bij hen dan bij de martelaren.
De steen die doodt, het stuk brood dat voedt, hebben precies hetzelfde vermogen, wanneer Christus maar aan het begin en het einde is. Leven en dood zijn als gave elkaar gelijk.

Volgens Hindoe-traditie moest koning Rama, de incarnatie van de tweede persoon van de drie-eenheid, om oproer onder zijn volk te vermijden zeer tegen zijn zin iemand van de laagste kaste laten doden, omdat deze man, tegen de wet in, een bijzonder strenge ascese beoefende. Hij zocht hem zelf op en doodde hem eigenhandig met een slag van zijn zwaard. Terstond verscheen de ziel van de gedode man aan Rama en wierp zich voor zijn voeten ter aarde, om hem te danken voor de hoge eer, die hem beschoren was geweest door de aanraking met dat gezegende zwaard. Hoewel de terechtstelling in een bepaald opzicht geheel en al onrechtmatig was, werd zij wettig omdat Gods hand haar zelf volvoerde, en kreeg zij derhalve de kracht van een sacrament.
Het wettige karakter van een strafuitoefening spreekt alleen dan duidelijke taal, wanneer de gestrafte er de godsdienstige zin van verstaat, er een gelijkenis met het sacrament in proeft. Daarom dienen aIle vertegenwoordigers van de rechterlijke macht, van rechter tot beul en gevangenisbewaarder aan toe, op de een of andere manier priesterlijk te zijn.
De rechtvaardigheid komt in de straf op dezelfde manier aan het Iicht als in de aalmoes. Ook hier wordt de mens als een wezen met een eigen bestaan gezien, niet als een ding; ook hier vinden wij het verlangen om in die mens het vermogen tot vrijwillige instemming te beschermen.
De mensen menen de misdaad te verachten, maar in feite minachten zij de geringe betekenis van het ongeluk. Iemand bij wie ongeluk en misdaad samenvallen, geeft hun de gelegenheid het ongegeluk te veronachtzamen, onder het mom de misdaad te verachten. Zo’n mens is dus het voorwerp van de grootste verachting. Verachting is het tegendeel van aandacht. Uitzonderingen zijn er alleen voor misdaden waaraan om een of andere reden een bepaald prestige verbonden is – zoals vaak het geval is bij moord vanwege de tijdelijke macht die dit misdrijf veronderstelt – of voor misdaden die in het oordeel van de rechters geen gevoel van schuld oproepen. Diefstal is het minst prestigieuze misdrijf, maar wij zijn er het meest verontwaardigd over, omdat bezit door iedereen wordt begeerd en de grootste machtsfactor in de wereld is. Dat blijkt zelfs uit het wetboek van strafrecht.
Niets is meer vernederend dan een mens die terecht of ten onrechte
schuIdig wordt bevonden, en nu geheel aan de willekeur is overgeleverd van een paar mensen die met enkele woorden over zijn lot zullen beslissen. Deze mensen hebben geen aandacht voor hem. Vanaf het ogenblik dat iemand in handen gevallen is van de rechterlijke macht tot het moment dat hij er uitkomt – recidivisten en prostituées komen er overigens tot aan hun dood niet meer uit – is hij het voorwerp van werkelijke aandacht. Alles, de kleinste details en stembuiging inbegrepen, draagt ertoe bij dat hij in aller ogen en ook naar eigen besef, een nietswaardig ding, een verachtelijk voorwerp is. Alles heeft hierbij dezelfde uitwerking, de ruwe bejegening en de lichte toon, de uitdrukkingen van verachting en de grapjes, de manier van luisteren en de manier waarop men niet luistert.
Er is hier geenszins doelbewuste kwaadaardigheid in het spel. Het is het automatisch gevolg van een beroep dat de misdaad alleen in de vorm van het ongeluk kent, dat wil zeggen in de vorm waarin de afschuwelijke bezoedeling duidelijk zichtbaar is. Wie daar nu voortdurend mee te maken heeft, wordt besmet en de vorm van deze besmetting is de verachting. Het is deze verachting die terugslaat op iedere beschuldigde. De rechterlijke macht brengt alle bezoedeling, die wij overal vinden waar de rampzalige misdaad huist, over op de beklaagde. In het contact met de rechterlijke macht zit iets afschuwwekkends, dat recht evenredig is met de mate waarin de ziel intact is gebleven. Wie helemaal verdorven is, ondervindt er niets onaangenaams door en lijdt er ook niet onder.
Zo zal het wel blijven als niet tussen de justitie en het misdrijf iets intreedt dat de bezoedeling verwijdert. Dat «iets» kan alleen God zijn. Slechts oneindige zuiverheid wordt niet door de aanraking met het kwade besmet. Iedere eindige zuiverheid wordt op den duur zelf ook aangetast. Hoe men wetten ook formuleert, de rechtspraak kan toch alleen dan menselijk zijn indien zij door Christus zelf is heengegaan.
De strafmaat is niet het belangrijkste. Momenteel kan het gebeuren dat iemand die is gevonnist en – hoewel schuldig een betrekkelijk lichte straf heeft gekregen in verhouding tot zijn misstap, toch heel vaak op wettige gronden kan worden beschouwd als het slachtoffer van een ernstige onrechtvaardigheid. Van belang is dat de straf wettig is, dat wil zeggen rechtstreeks uit de wet voortvloeit. Van belang is dat men de wet herkent in haar goddelijk karakter, niet naar haar inhoud doch als wet; dat iedere vorm van strafrecht ten doel heeft dat de magistratuur en haar assistenten die aandacht en eerbied voor de beklaagde opbrengen, waar hij recht op heeft, en dat deze die instemming betoont met de opgelegde straf, waarvan de onschuldige Christus het volmaakte voorbeeld heeft gegeven.
Een doodvonnis dat op zo’n manier zou worden uitgesproken voor een licht vergrijp, zou minder afschuwelijk zijn dan momenteel een gevangenisstraf van zes maanden. Er is niets afschuwelijkers dan wat men zo vaak kan meemaken: een beklaagde die in zijn toestand geen ander hulpmiddel heeft dan zijn stem, maar onmachtig is het woord te voeren vanwege zijn sociale afkomst en zijn gebrek aan beschaving; die onder zijn strafbaarheid, ongeluk en angst wordt verpletterd en staat te stotteren voor rechters die niet naar hem luisteren hem in de rede vallen met subtiele opmerkingen.
Zolang er ongeluk bestaat in het maatschappelijke leven, zolang openbaare of privé-weldadigheid en straf beide onmisbaar zullen zijn, zal de scheiding tussen de burgerlijke wetten en het godsdienstige leven een misdaad zijn. Het begrip secularisatie is op zichzelf genomen door en door verkeerd. Het heeft alleen recht van bestaan als afweer van een totalitaire religie. In dit opzicht moeten we toegeven dat het ten dele gerechtvaardigd is. Om zoals het behoort overal aanwezig te zijn, dient de godsdienst niet alleen zich van elk totalitair denken te onthouden, maar moet zij zich volstrekt beperken tot het gebied der bovennatuurlijke liefde. Wanneer zij dat doet, zal zij tot alle terreinen van het leven doordringen. De bijbel zegt: «De wijsheid dringt vanwege haar reinheid door alle dingen heen.”
Door Christus’ afwezigheid vormen de bedelarij in de breedste zin des woords en het bestaan van straf wellicht de afschuwelijkste dingen op deze wereld; ze hebben een bijna infernaal karakter: Ze hebben de kleur van de hel zelf. Men kan er nog de prostitutie aan toevoegen, die net zo weinig lijkt op het ware huwelijk als het geschenk en de straf die zonder liefde worden uitgedeeld, gelijken op dezelfde handelingen die met liefde worden verricht.
De mens kan niet alleen het lichaam, maar ook de ziel van zijn medemens zowel goed als kwaad doen: de ziel van allen, in wie God niet tegenwoordig is, en elk deel der ziel, van wie dan ook, waarin God niet woont. Indien een mens, in wie God zijn woning heeft gemaakt, door de aandrift van het kwaad of eenvoudig door het bestel van dit vleselijke bestaan een geschenk of straf uitdeelt, dan komt hetgeen hij in zich draagt door middel van het brood of het zwaard in de ziel van die ander. De materie van brood en metaal is zuiver receptief, open voor goed en kwaad, in staat om onverschillig wat over te dragen. Wie door het ongeluk gedwongen wordt het brood te ontvangen, of een slag te ondergaan, heeft een ziel die weerloos zowel aan het kwade als aan het goede is blootgesteld.
Er is een manier om steeds alleen het goede te ontvangen. Dat is het persoonlijk verworven inzicht dat mensen die niet door barmhartigheid worden bewogen slechts radertjes zijn in de kosmische orde en samenhang, een soort passieve materie. Dientengevolge komt alles van God, hetzij door de liefde van een medemens, hetzij door de passiviteit van de tastbare of psychische materie; door de geest of door het water. Al wat onze levenskracht doet groeien, is als het brood waarvoor Christus de rechtvaardigen dankzegt.
Alle slagen, alle wonden en kwetsuren zijn als stenen die door Christus’ hand naar ons worden geworpen. Brood en steen komen van Christus, dringen in ons binnenste door en brengen Christus in ons. Brood en steen betekenen liefde. Wij moeten het brood eten en ons blootstellen aan het werpen van de steen, zodat ons vlees er zo diep mogelijk door geraakt wordt. Als wij een wapenrusting hebben waardoor wij onze ziel kunnen beschermen tegen de door Christus geworpen stenen, dan dienen wij ons daarvan te ontdoen en haar weg te werpen.

Weil, Simone, Wachten op God, Utrecht 1997, (Erven J. Bijleveld),