Het ‘ware’ leven’- alêthês bios

Uit het College 7 maart 1984 – Tweede uur:

Wat is het ware leven? Als we ervan uitgaan dat we binnen onze mentale kaders en onze manier van denken, hoewel niet zonder een aantal problemen, kunnen begrijpen hoe een uitspraak waar of onwaar kan zijn, hoe ze een waarheidswaarde kan krijgen, welke betekenis kunnen we dan aan deze uitdrukking ‘waar leven’ geven? Hoe kun je als het om het leven gaat – we zouden hetzelfde over een gedragswijze, een gevoel, een houding kunnen zeggen – de kwalificatie waar’ gebruiken? Wat is een waar gevoel? Wat is de ware liefde? Wat is het ware leven?

Het vraagstuk van het ware leven was absoluut van fundamenteel belang in de geschiedenis van ons filosofische of spirituele denken. Dit thema van het ware leven wil ik op een algemene manier bespreken, maar met het cynisme als aangrijpingspunt.

Ten eerste de vraag: wat verstond men in de Griekse filosofie, nog vóór of naast het cynisme, onder het ‘ware leven’? Deze uitdrukking komt af en toe, zelfs een niet gering aantal keren bij Plato voor. Voor- dat we de vraag stellen wat het ware leven (alêthês bios, alêthinos bios) is, eerst enkele uiterst elementaire herinneringen betreffende het begrip waarheid zelf. Alêtheia: de waarheid. Alêthês: waar. Wat verstaat men in het klassieke Griekse denken in het algemeen onder alêtheia, wat is alêthês (waar)? Volgens mij kunnen we – opnieuw heel schematisch, neemt u mij dat niet kwalijk – vier betekenissen onderscheiden of vier vormen zien waarin, volgens welke en op grond waarvan iets waar genoemd kan worden.

Ten eerste is natuurlijk datgene waar – neemt u mij niet kwalijk dat ik u eraan herinner – wat niet verborgen, niet verhuld is. Het woord heeft de structuur van een negatie – a-lêtheia, a-lêthes -, die we in het Grieks vaak tegenkomen. Het woord a-trekês bijvoorbeeld, dat recht betekent, betekent etymologisch precies ‘niet gekromd’. Nê-mertês, dat oprecht betekent, betekent etymologisch: wat niet misleidt, wat niet bedriegt. De a-lêthês is dat wat zich onverborgen, onverhuld, helemaal laat zien, wat helemaal zichtbaar is, zonder dat er iets van verhuld of verborgen is. Dat is de eerste betekenis van het woord alêthês

Maar men zegt niet alleen dat het niet-verborgene alêthês (waar) is, maar ook dat wat geen enkele toevoeging of aanvulling krijgt, wat geen vermenging met iets anders dan zichzelf ondergaat. Datgene dus waarvan het zijn niet alleen onverhuld en onverbogen is, maar ook niet veranderd wordt door een element dat er vreemd aan zou zijn, het op die manier zou veranderen en uiteindelijk zou verhullen wat het in werkelijkheid is.”

De derde betekenis: alêthês is dat wat recht (euthys: direct) is. Deze rechtheid staat tegenover bochten en kronkels die haar juist verhullen. Het feit dat iets, het ware, euthys is, staat ook tegenover de veelheid en vermenging die het verandert. Dat alêthês recht betekent, dat alêtheia (de waarheid) ook rechtheid betekent, vloeit zo gezien direct voort uit het feit dat de waarheid onverhuld en zonder veelheid en vermenging is. Men zegt dus heel natuurlijkerwijs dat een gedragswijze, een handelwijze alêtheia is voor zover ze recht, conform de rechtheid, conform wat hoort is.

Tot slot de vierde betekenis van het woord alêthês: alêthês is ook dat wat buiten alle verandering bestaat en zich in zijn identiteit, onveranderlijkheid en onvergankelijkheid handhaaft. Doordat deze onverhulde, onvermengde waarheid, deze rechte waarheid zonder bocht, verhulling, vermenging, kromming of storing is (ze is helemaal recht), kan ze zich handhaven zoals ze is, in haar onveranderlijke en onvergankelijke identiteit.

*In het manuscript construeert Foucault nog een andere betekenis van waarheid, waarvan hij afziet (een doorgestreepte regel): alêthês staat ook tegenover dat wat slechts weerspiegeling, beeld, schaduw, nabootsing, schijn is; alêthês is dat wat overeenstemt met zijn wezen, wat identiek is.

Dat zijn heel schematisch de vier essentiële betekenissen die we in die woorden, alêthés en alêtheia, kunnen vinden. U begrijpt nu dat dit waarheidsbegrip, met zijn verschillende betekenissen en over die vier assen verdeelde betekenisveld, op veel andere dingen dan proposities of uitspraken toepasbaar is. Dit begrip van waarheid – als het onverhulde, onvermengde, rechte, onveranderlijke en onvergankelijke – kan in die vier betekenissen of in de ene of de andere betekenis ervan toegepast worden op zijnswijzen, handelwijzen, gedragswijzen of handelingsvormen. Men past het begrip met zijn vier betekenissen ook toe op de logos zelf, niet begrepen als propositie, uitspraak, maar als een manier van spreken. De logos alêthês is niet slechts een verzameling juiste proposities die waarheidswaarde kunnen krijgen.

De logos alêthês is een manier van spreken waarin ten eerste niets verhuld wordt en, ten tweede, noch het onware, noch de mening, noch de schijn zich met het ware vermengen; ten derde is het een recht vertoog, een vertoog conform de regels en de wet; en tot slot is de logos alêthês een vertoog dat hetzelfde blijft, niet verandert, niet bederft en nooit overwonnen, omvergeworpen, noch weerlegd kan worden.

Maar u begript ook hoe en waarom diezelfde woorden, alêthês en alêtheia, op iets anders dan de logos toegepast kunnen worden. Er is in elk geval een domein waarin de toepassing van die kwalificatie alêthês van groot belang was. Hier moeten we even bij stil blijven staan, ten minste als wenk, om erover na te denken, want deze kwalificatie door de waarheid is in de westerse cultuur beslist van grote betekenis. 

Het betreft eenvoudigweg het begrip alêthês erôs (de ware liefde) De ware liefde – een ongewoon, bijzonder en belangrijk begrip in de platoonse filosofie, maar ook in de Griekse ethiek in het algemeen -, wat is dat? Welnu, in de ware liefde vinden we exact de betekenissen terug die ik zojuist besprak. De ware liefde is ten eerste de liefde die niet verbergt, en wel in twee betekenissen.

Ten eerste omdat zij niets te verbergen heeft. Ze heeft niets beschamends wat verhuld zou moeten worden. Ze zoekt niet de schaduw. Ze aanvaardt zich voor getuigen te manifesteren en is van dien aard dat ze dat kan aanvaarden. Ze is ook een liefde die haar doelen niet verhult. De ware liefde probeert van de beminde persoon niet iets te krijgen wat ze voor de ogen van de ander zou verbergen, maar wat haar eigenlijke doel zou zijn. Ze is zonder list, oprecht tegenover haar partner. Ze verbergt zich niet voor de ogen van getuigen, noch voor die van haar partner. De ware liefde is een liefde die niets verhult. 

Ten tweede is ze een onvermengde liefde, dat wil zeggen zonder vermenging van lust en onlust. Ze is ook een liefde waarin de zintuiglijke lust en de vriendschap tussen zielen zich niet vermengen. In die zin is het dus een zuivere, want onvermengde liefde. 

Ten derde is de ware liefde (alêthês erôs) een liefde in overeenstemming met wat recht, wat eerlijk is. Het is een directe (euthys) liefde. Ze heeft niets wat in strijd is met de regel of de gewoonte. 

Tot slot is de ware liefde een liefde die nooit onderhevig is aan verandering of het worden. Ze is een onvergankelijke liefde, die altijd hetzelfde blijft.

Wanneer we de definitie, de kenschets, de beschrijving van de ware liefde in de socratische en platoonse teksten beschouwen, vinden we er heel gemakkelijk de vier betekenissen van de alêtheia in terug. Ik denk dat deze definitie van de ware liefde het mogelijk maakt het onderzoek voort te zetten van wat het ware leven (alêthês bios) is, dat nu ons vraagstuk is. Het is overigens beslist niet zonder betekenis dat de ware liefde in de platoonse filosofie – maar ook, zoals u weet, in een heel domein van de christelijke spiritualiteit en mystiek – de vorm bij uitstek van het ware leven was. De ware liefde en het ware leven zijn twee dingen die sinds het platonisme traditioneel bij elkaar horen, en het christelijke platonisme zal dat thema in grote mate overnemen. We laten dat rusten, maar het zou een heel interessant en breed onderzoeksterrein zijn.

We komen nu bij de alêthês bios, die ik eerst wil natrekken buiten zijn cynische betekenis en zijn zeer paradoxale en opmerkelijke vorm in het cynisme. Het ware leven dus zoals het in de filosofische teksten uit de oudheid, voornamelijk bij Plato, voorkomt, maar waarvan u in elk geval de eerste contouren, die natuurlijk minder interessant en minder uitgewerkt zijn, bij Xenophon kunt vinden. Laten we uitgaan van de volgende bepaling. Ik zal het begrip alêthês bios niet in zijn definitieve filosofische uitwerking bij Plato proberen te beschouwen, maar in zijn evidente, gangbare betekenissen, die we los van iedere specifieke filosofische uitwerking in zijn teksten vinden.

De alêthês bios is ten eerste natuurlijk een onverhuld leven, dat wil zeggen een leven dat geen enkele schaduw bevat. Dit leven kan het volle licht trotseren en zich zonder aarzeling voor de ogen van iedereen manifesteren. Een zijns- en gedragswijze is dus waar en maakt deel uit van het ware leven wanneer ze niets van haar bedoelingen en oogmerken verbergt. Een verwijzing naar deze opvatting van het ware leven als een leven dat niets verbergt vinden we in de Kleine Hippias, in de regels 364e-365a, waarin het over de beroemde vergelijking, de zo vaak terugkerende tegenstelling tussen Odysseus en Achilles gaat. De tekst die Socrates op dat moment aanhaalt, komt uit boek IX van de Ilias, waarin Achilles, die zich tot Odysseus richt en hem de ‘vindingrijke Odysseus’ (polymêchan’ Odysseu) noemt, tegen hem zegt: ik moet u alles zeggen zoals ‘ik het meen en zoals het ook tot vervulling komt. Want fel haat ik die man, als de poorten van Aïdes’ woning, die in ’t hart het ene verbergt en het andere zegt.” 

Hippias”, die deze aanspreking van Odysseus door Achilles becommentarieert, zegt: Odysseus is de polytropôtatos man, de bedrieglijke, dat wil zeggen de man die voor zijn gespreksgenoten verbergt wat hij van plan is en wil gaan doen. In tegenstelling tot Odysseus lijkt Achilles – die zojuist tegen de vindingrijke Odysseus zei: ik zal ronduit alles zeggen wat ik meen, zoals ik het ook zal verwerkelijken, niet alleen zoals ik het wil verwerkelijken, maar ook zoals ik het daadwerkelijk zal en denk te verwerkelijken – de man van de waarheid, recht door zee. 

Tussen wat hij denkt en wat hij zegt, tussen wat hij zegt en wat hij wil doen, tussen wat hij wil doen en wat hij daadwerkelijk zal doen, zit geen enkele veinzerij, geen enkele list, niets wat verhult wat hij werkelijk denkt, dat datgene is wat hij werkelijk zal doen. Hij staat in het volle licht, en over deze Achilles zegt Socrates: ziehier een haploustatos kai alêthestatos man (de eenvoudigste, de meest directe en waarachtige; haplous is een oprecht persoon) 

Het samengaan van haplous en alêthês om een man, een karakter, een bestaan of een levenswijze te typeren, is iets wat vrij vaak voorkomt. Deze koppeling van haplous en alêthês vindt u overigens ook in boek II van De Staat, waar in dit geval de bestaanswijze van de god als waarheid, waar leven, ware zijnswijze gekarakteriseerd wordt. Over deze bestaanswijze zegt De Staat dat ze eenvoudig en waar (haploun kai alêthês: oprecht en waar) is: Bijgevolg is God het absoluut eenvoudige en ware, in woord en daad. Hijzelf verandert niet, en evenmin leidt Hij anderen om de tuin, noch door waanvoorstellingen, noch door woorden, noch door tekens die Hij zou overzenden aan slapenden of wakenden.? 

U ziet dus hoe die eenvoud, die de waarheid van het bestaan, het ware leven is, hier beschreven wordt: geen verandering, geen misleidingen, die zich zouden kunnen voordoen door de kloof, de discrepantie tussen wat er gebeurt en de woorden, de waanvoorstellingen en tekens.

De tweede betekenis van de uitdrukking alêthês bios correspondeert met wat ik u eerder zei, namelijk dat alêthês wijst op wat onvermengd is. De alêthês bios is bij Plato het onvermengde leven, het leven zonder vermenging van goed en kwaad, van vreugde en smart, van deugd en ondeugd. Een waar leven is een leven dat niet bont kan zijn. Heel deze beruchte bontheid (de bontheid van de begerige of prikkelbare delen van de ziel, de bontheid van de democratische of tirannieke stadstaten, waar alle begeerten in hun heftigheid of eigenaardigheid hun plaats hebben) is precies wat verhindert het ware leven te leiden. Dat de bonte mens, de mens die ten prooi is aan de veelheid van zijn verlangens, begeerten en zielenroerselen, dat deze mens niet tot de waarheid in staat is, wordt heel duidelijk in boek VIll van De Staat gezegd, waarin het om een beschrijving van de democratische mens gaat. Plato beschrijft hem als volgt: …hij zal ertoe komen alle genoegens om zo te zeggen onderling op gelijke voet te behandelen. Het wordt dan een soort loterij om te zien welke het eerst aan de beurt komt: die vertrouwt hij dan telkens het bevel over zichzelf toe |…] vandaag bedrinkt hij zich onder betoverend fluitspel, morgen drinkt hij slechts water en vast hij dat hij er mager van wordt; dan weer doet hij aan gymnastiek, dan weer voert hij helemaal niets uit en bekreunt hij zich om niets; een andere maal zou men zeggen dat hij opgaat in de wijsbegeerte; herhaaldelijk echter werpt hij zich in de politiek en springt dan op tafel om te zeggen en te doen wat hem toevallig het eerst door het hoofd schiet? Dit leven van de democratische mens, die dan weer niets doet, dan weer bedrijvig is, zich dan weer overlevert aan de genoegens, dan weer aan de politiek, en als hij zich overlevert aan de politiek zegt hij wat hem maar te binnen schiet, dit leven zonder eenheid, dit vermengde, aan de veelheid overgeleverde leven is een leven zonder waarheid. Het is niet in staat, zegt Plato, plaats in te ruimen voor de logos alêthês (het ware spreken).

We kunnen nog een tekst aanhalen waarin het ware leven op dezelfde manier wordt afgezet tegen het vermengde leven. Aan het einde van de Critias – net voordat de tekst afbreekt, waarvan het slot verloren is gegaan – schetst Plato kort het verval van Atlantis en zegt hij: na het gelukkige leven dat de mensen op Atlantis hebben kunnen leiden, kwam er een tijd waarin het deel, het bestanddeel dat de mensen van Atlantis door de goden was gegeven, vermengd raakte met veel menselijke bestanddelen. Deze vermenging van het goddelijke bestanddeel, dat het ware leven van de mensen van Atlantis kenmerkte, met menselijke bestanddelen, leidde ertoe dat zij het ware leven en het geluk en de schoonheid die het vergezellen verloren. Zodra het leven vermengd raakt, is het niet meer het ware leven.*

* Het manuscript bevat hier een passage die correspondeert met de vijfde betekenis van de waarheid waar Foucault van af heeft gezien (overeenstemming met het wezen). ‘De alêthês bios is een leven dat niet de schijn aanneemt van wat het niet is. Het bootst niet een vorm na die niet de zijne zou zijn. Het ware leven is het leven waarvan het êthos zich gemakkelijk laat herkennen (Foucault baseert zich op boek V van De Wetten van Plato, 738d-e).

Ten derde is het ware leven bij Plato een recht (euthys) leven. Overeenkomstig de karakterisering van de waarheid als rechtheid, van het ware als het rechte, is het ware leven een recht leven, dat wil zeggen een leven conform de principes, regels en nomos. In de beroemde brief VI vertelt Plato hoe hij op aandringen van Dio naar Sicilië was gegaan en geaarzeld had deze uitnodiging aan te nemen. Maar hij had zich laten overtuigen toen hij zag dat Dio zo moeiteloos zijn principes overgenomen en zijn leven vormgegeven had volgens de regels die hij hem gegeven had. Deze overgang van Dio tot de filosofie, of in elk geval de geslaagde vorming, rechtvaardigde Plato’s hoop dat via Dio de stad Syracuse en misschien heel Sicilië bereid zou zijn zich aan deze vorm van wet te onderwerpen. Op dat moment, zegt hij, was er voor iedereen de hoop een alêthinos bios (een waarachtig leven) te leiden. Het waarachtige leven, dat dus de belofte van Plato aan de Siciliërs is, of eerder zijn hoop toen hij naar Sicilië kwam, is het leven volgens de regels die Plato of de filosofie de mensen kan bieden, niet alleen in hun persoonlijke leven zoals in het geval van Dio, maar ook in hun sociale, openbare en politieke leven. Het zijn wetten, een politieke orde die Plato de Siciliërs en Syracusanen wil aanbieden.”

We kunnen die passage overigens vergelijken met een tekst uit de Gorgias, waarin we ook dit begrip van het ware leven vinden. Dat is helemaal aan het einde, wanneer Plato het Oordeel over de zielen beschrijft. In de mythe van de Gorgias verschijnen de zielen na hun dood voor de rechters, met name Rhadamanthys. Socrates zegt: Rhadamanthys, rechter van zielen en dodenrijken, zal het vast druk hebben. Hij zal zielen ontmoeten, die naar hem toekomen en van grote koningen zijn. Hij zal zich door zo’n ziel niet laten imponeren, want hij ziet meteen dat zij niets gaafs heeft: ‘Alles vindt hij er kromgegroeid door leugen en grootspraak (en bedrog; M.F.), niets wat recht (euthys) is. Waarom is niets recht? Omdat deze ziel zonder waarheid (aneu alêtheias) geleefd heeft’; ‘een ziel vol wanverhouding en lelijkheid, tengevolge van bandeloosheid, wulpsheid, brutaliteit en een tekort aan zelfbeheersing’. Veelvormige zielen, bonte zielen, van begeerte, bandeloosheid en wulpsheid vergeven zielen, zielen zonder waarheid. Rhadamanthys zal deze zielen dus hun verdiende straf laten ondergaan. Maar soms gebeurt het, vervolgt Socrates, dat Rhadamanthys een heel ander soort zielen in het oog krijgt, zielen van filosofen of eventueel ook van gewone burgers, burgers zoals de anderen. Maar of het nu de ziel van een filosoof of van een gewone burger is, deze zielen hebben heilig (hosiôs) en in het gezelschap van de waarheid (met’ alêtheias) geleefd, zonder zich over te leveren aan ijdele drukte. Van deze zielen die in het gezelschap van de waarheid (met’ alêtheias) hebben geleefd, bewondert Rhadamanthys de schoonheid en hij stuurt ze naar de Eilanden der Gelukzaligen. Na deze evocatie van de twee tegenovergestelde lotsbestemmingen van de zielen (sommigen worden gestraft omdat ze zonder waarheid waren; anderen worden beloond en naar het eeuwige geluk gestuurd omdat ze met de waarheid geleefd hebben) volgt het besluit van Socrates: ik wil trachten door het beoefenen van de waarheid mij zo volmaakt mogelijk te maken ‘in mijn leven en ook bij mijn sterven’. Het leven in gezelschap van de waarheid is dus het rechte leven.

Tot slot de vierde betekenis van de uitdrukking alêthês, alêthinos bios bij Plato: dit ware leven is een leven dat ontsnapt aan ontregeling, veranderingen, bederf en verval, en zich onveranderd handhaaft in de identiteit van z’n zijn. Dit met zichzelf gelijk zijn van het leven laat het aan elke verandering ontsnappen en verzekert het enerzijds vrijheid, begrepen als onafhankelijkheid, niet-afhankelijkheid, niet-onderworpenheid tegenover alles wat het zou kunnen overheersen en beheersen, en anderzijds geluk (eudaimonia), begrepen als zelfbeheersing en zelfgenot. Dit ware leven als volmaakte beheersing en volmaakt geluk (eudaimonia) wordt, zoals we zojuist zagen, in de Critias geschetst: het is het leven van de bewoners van Atlantis, die, voordat de menselijke bestanddelen met hen vermengd raakten, een waar en gelukzalig leven leidden. De waarheid van het leven is het geluk, het volmaakte geluk. 

Op dezelfde manier en in vrijwel dezelfde betekenis vinden we in de Theatetus, 174c-176a, een bekende passage waarin Plato het bedrijvige, drukke leven zonder vrije tijd beschrijft van allen die, omdat ze vertrouwd zijn met alle problemen van het praktische bestaan, zich er perfect in weten te redden, maar er al hun tijd mee doorbrengen. Daartegenover schetst hij het leven van allen die, omdat zij zich op de ware waarheid bezinnen, zo onhandig en lachwekkend zijn in alledaagse zaken dat zelfs de Thracische dienstmeisjes om hen moeten lachen. Maar die mensen, zo onhandig in het leven van alledag, zijn in staat ‘in een betoog de juiste toon te treffen en op gepaste wijze het ware leven (bion alêthê) van goden en gelukzalige mensen te bezingen’.

Het ware leven is dus het goddelijke en gelukzalige leven. Dit zijn, zo u wilt – in grote lijnen en, nogmaals, zonder te streven naar een preciezere filosofische uitwerking als background voor het onderzoek dat ik nu wil doen – de betekenissen die men aan het begrip van het ware leven (alêthês bios) toekende.

Wat we nu moeten aanvatten – ik maak hier slechts een begin mee en zal het de volgende keer verder uitwerken -, is de manier waarop het cynisme dat begrip van alêthês bios gebruikt heeft. Helemaal aan het begin van het verhaal van Diogenes Laërtius over het leven van Diogenes (de cynicus) staat een aantal belangrijke gebeurtenissen en verwijzingen. Ten eerste de verwijzing naar het feit dat Diogenes de zoon van een geldwisselaar, een bankier was, van iemand die met munten moest omgaan en ze tegen elkaar moest inwisselen.

Het is ook een verwijzing naar het feit dat Diogenes of zijn vader wegens malversatie – eigenlijk een daad van valsemunterij – uit Sinope, waaruit zij afkomstig waren en waar zij leefden, verbannen zou zijn. De derde verwijzing naar de kwestie van het geld is tot slot dat Diogenes, uit Sinope verbannen, naar Delphi gaat en aan de god Apollo om raad en advies vraagt. Apollo zou geadviseerd hebben de munt te vervalsen of haar waarde te veranderen.

Dit principe ‘verander de waarde van de munt’ werd in de cynische traditie regelmatig gebruikt, en wel met twee doelen. Ten eerste om Socrates en Diogenes op elkaar af te stemmen, te vergelijken en een symmetrie tussen beiden aan te brengen. Precies zoals Socrates van de god van Delphi de profetie, de aanwijzing, de rol gekregen had dat hij de wijste van de mensen was, zo krijgt Diogenes, die naar Delphi gaat en de god vraagt hoe het met hem staat, dit antwoord: ‘de waarde van de munt veranderen’. Socrates en Diogenes hebben dus beiden een opdracht gekregen. Deze symmetrie, deze verwantschap tussen Socrates en Diogenes zal gedurende de hele cynische traditie in stand gehouden worden. In de teksten die Julianus – die met groot respect over Diogenes spreekt – in de vierde eeuw tegen de cynici en ten gunste van het echte cynisme zal schrijven, laat hij nooit na over zowel Socrates als Diogenes te spreken: de een, die naar het woord van de god van Delphi geluisterd had, wist dat hij de wijste mens was en probeerde zichzelf te kennen; de ander had van de god van Delphi een heel andere opdracht gekregen, namelijk de waarde van de munt te veranderen. Er is dus een symmetrie tussen deze twee figuren.

De tweede betekenis van dat gebod is duidelijk veel moeilijker te achterhalen. Wat wil dat eigenlijk zeggen, ‘de waarde van de munt veranderen’ (paracharattein to nomisma)? Rond dit thema zal ik de volgende keer proberen het vraagstuk van het ware cynische leven uit te werken. Ik wil u nu slechts op het volgende wijzen: rond dat thema ‘de waarde van de munt veranderen’ moeten we ten eerste de overeenkomst noemen die er bestaat tussen – het woord wijst er zelf op – munt en gewoonte, regel, wet. Nomisma is de munt.

Nomos is de wet. De waarde van de munt veranderen betekent ook een bepaalde houding tegenover de conventie, de regel, de wet aannemen. Het tweede punt heeft ook nog betrekking op het begrip paracharaxis. Paracharattein (veranderen, wijzigen) betekent niet de munt devalueren. Soms vinden we het in de duidelijke betekenis van: een munt ‘veranderen’ opdat haar waarde vermindert, maar hier betekent het werkwoord vooral: van een bepaalde munt die een bepaalde beeldenaar draagt, deze beeldenaar uitwissen en vervangen door een andere die veel vertegenwoordigt en de omloop van deze munt met haar werkelijke waarde mogelijk maakt. Dat de munt niet over haar werkelijke waarde moet misleiden, dat men de munt haar eigen waarde moet teruggeven door haar een andere, betere en passender beeldenaar op te drukken, dat is het wat het zo belangrijke cynische principe van het veranderen en wijzigen van de waarde van de munt omschrijft.

Foucault, Michel, De moed tot waarheid. Het bestuur van zichzelf en de anderen II, Amsterdam 2011 (Boom)- Pag 256 – 265