(1) Wetenschap van het kruis – het kruis als NACHT – Edith Stein

        

Wat is de nacht? Wat is nacht? Wat is de nacht waarin je ook geestelijk terecht kunt komen, zonder direct uitzicht op een morgen, op een ontwaken? Een geestelijke, diepe en donkere nacht, waarin géén licht straalt en die alle grond onder je voeten kan doen verdwijnen? Een nacht ook waarin God totaal afwezig lijkt. Er is géén houvast, de nacht dreigt je te verslinden. Er blijft niet veel meer van je over.

De religieuze en filosofe Edith Stein (zuster Teresa Benedicta van het Kruis) is gegrepen door een gedicht van Joannes van het Kruis dat deze nacht ter sprake brengt. Zij reflecteert in haar studie Wetenschap van het kruis, op dit gedicht dat de titel draagt: Donkere nacht of Het lied van de donkere nacht. Zij vraagt zich eerst af of er een verschil is tussen het begrip nacht en het begrip kruis. Het kruis is een ding, door mensen gemaakt. Het is geen natuurlijk ding, maar een martelinstrument om het slachtoffer dat er aan gekruisigd wordt, op een gruwelijke wijze te doden. Het kruis kan ook voor de nacht staan van een gevoelde ervaring van de verlatenheid door God. Maar in het gedicht van Johannes van het Kruis is de nacht veel meer dan dat, omdat de nacht een natuurlijk gegeven is met meerdere betekenislagen. Edith Stein schrijft over het meervoudige gezicht van de nacht het volgende:

Zoals het licht de dingen met hun zichtbare eigenschappen laat verschijnen, zo verslindt de nacht ze en dreigt hij ook ons te verslinden. Wat in hem verzinkt, is niet eenvoudig niets: het blijft bestaan, maar onbepaald, onzichtbaar en vormloos als de nacht zelf, of schimmig en spookachtig en daarom dreigend. Daarbij wordt ons eigen zijn niet alleen van buiten bedreigd, door gevaren die in de nacht verborgen zijn, maar door de nacht zelf innerlijk getroffen. Hij ontneemt ons het gebruik van de zinnen, remt onze bewegingen, verlamt onze krachten, verbant ons in eenzaamheid, maakt ons zelf schimmig en spookachtig. Hij is een voorsmaak van de dood. En dit alles heeft niet alleen een vitale, maar ook een psychisch-geestelijke betekenis. De kosmische nacht werkt op ons in net zoals hetgeen in overdrachtelijke zin nacht wordt genoemd. Of omgekeerd: wat in ons gelijksoortige uitwerkingen heeft als de kosmische nacht, dat wordt’ in overdrachtelijke zin nacht genoemd.

Voordat wij dit “wat” proberen te begrijpen, moeten wij echter goed beseffen, dat reeds de kosmische nacht een dubbel gezicht heeft. Tegenover de  donkere en akelige nacht staat de door de maan beschenen tovernacht, met mild, zacht licht doorstroomd. Hij verslindt de dingen niet, maar laat hun nachtelijk aanschijn oplichten. Al het harde, scherpe en schelle is hier gedempt en verzacht;  er openbaren zich wezenstrekken, die bij klaar daglicht nooit tevoorschijn komen. Ook laten er zich stemmen horen door het  lawaai van de dag overstemd worden. En niet alleen de heldere nacht, ook de donkere nacht heeft zijn eigen waarden. Hij maakt een einde aan de haast en het lawaai van de dag, hij brengt rust en vrede.

Dit alles heeft ook zijn psychisch-geestelijke uitwerking. Er bestaat een nachtelijke, milde helderheid van geest, waarin de geest, vrij van het zware werk der dagelijkse bezigheden, ontspannen en geconcentreerd tegelijk naar binnen wordt getrokken in de diepe samenhang van zijn eigen wezen en leven, de wereld en de bovenzinnelijke wereld.’ En er bestaat een diepe, dankbare rust in de vrede van de nacht.

Aan dit alles moet men denken, wanneer men de nachtsymboliek van Sint-Jan van het Kruis wil verstaan. Uit de getuigenissen over zijn leven en uit zijn gedichten weten wij, dat hij uitermate ontvankelijk was voor de kosmische nacht met al zijn schakeringen; Hij heeft hele nachten doorgebracht aan het raam, de blik gericht op het wijde landschap, of in de open lucht. En hij vindt voor de nacht woorden, die door geen andere zanger van de nacht overtroffen worden. De ziel vergelijkt de Beminde:


la noche sosegada

en par de los levantes de la aurora,

la música callada,

la soledad sonora,

la cena que recrea y enamora.


De stille nacht bij ’t neigen

Der schemering naar ’t eerste dagbeginnen,

Muziek van zingend zwijgen,

Eenzaamheids hoorbaar zinnen,

Het avondmaal dat opwekt en doet minnen.


Edith Stein probeert helder te krijgen hoe Johannes van het Kruis het beeld en de ervaring van de nacht inzet om zijn eigen werkelijkheid van de nacht te beschrijven. Zij wijst daarbij op het verschil tussen de kosmische nacht, de nacht die wij allen kennen, als we meemaken dat de dag ten einde loopt, en de mystieke nacht. Dat is de nacht die zijn oorsprong in de ziel heeft en daarover schrijft zij:

De mystieke nacht is niet kosmisch op te vatten. Hij dringt niet van buiten in ons binnen, maar heeft zijn oorsprong in het innerlijk van de ziel en maakt zich ook slechts van deze ene ziel meester, waarin hij ontstaat. De uitwerkingen echter, die hij in het innerlijk heeft, zijn vergelijkbaar met die van de kosmische nacht: hij veronderstelt een wegzinken van de uiterlijke wereld, al ligt deze ook buiten in het heldere daglicht uitgespreid. Hij brengt de ziel in eenzaamheid, verlatenheid en leegte; hij onderbreekt de activiteit van haar vermogens en maakt haar bang door dreigende verschrikkingen, die hij in zich draagt. Maar ook hier is er een nachtelijk licht, dat diep in het innerlijk een nieuwe wereld ontsluit en de wereld buiten als het ware van binnenuit verlicht, zodat zij ons als een volledig veranderde wereld wordt teruggeschonken.

Na deze beschouwing kan Edith Stein onderscheiden tussen kruis en nacht en kan zij concluderen:

Wij zijn nu in staat om het onderscheid in het symboolkarakter van kruis en nacht kort samen te vatten. Het kruis is het karakteristiek merkteken van alles wat met het kruis van Christus in oorzakelijk of historisch verband staat. Nacht is de noodzakelijke kosmische uitdrukking voor de mystieke visie van Sint-Jan van het Kruis op de wereld. Het overheersen van het nacht-symbool betekent, dat in de geschriften van de heilige kerkleraar niet de theoloog, maar de dichter en mysticus het woord voert, al heeft de theoloog ook nauwgezet gewaakt over gedachte en uitdrukking.

In en met het begrip nacht geeft Johannes van het Kruis zijn ervaringen weer die hij als volgeling van Jezus ondergaat en die voor hem een vertaling zijn van de boodschap van het kruis. Dat zegt Edith Stein in haar analyse aan het begin van haar bespreking van het gedicht Het lied van de donkere nacht. Het gedicht luidt in het Spaans en in de vertaling van Edith Stein:

NOCHE OSCURA

I

En una noche oscura,

con ansias, en amores inflamada,

¡oh dichosa ventura!,

salí sin ser notada,

estando ya mi casa sosegada.

II

A oscuras y segura,

par la secreta escala, disfrazada,

¡oh dichosa ventura! ,

a oscuras y en celada,

estando ya mi casa sosegada.

III

En la noche dichosa,

en secreto, que nadie me veía,

ni yo miraba cosa,

sin otra luz y guía

sino la que en el corazón ardía.

IV

Aquésta me guiaba

más cierto que la luz del mediodía,

adonde me esperaba

quien yo bien me sabía,

en parte donde nadie parecía.

V

¡Oh noche que guiaste!

¡Oh noche amable más que el alborada!

¡Oh noche que juntaste

Amado con amada,

amada en el Amado transformada!

VI

En mi pecho florido,

que entero para el solo se guardaba,

alii quedó dormido,

y yo le regalaba,

y el ventalle de cedros aire daba.

VII

El aire de la almena,

cuando yo sus cabellos esparcía,

con su mano serena

en mi cuello heria,

y todos mis sentidos suspendía.

VIII

Quédeme y olvídeme,

el rostro recliné sobre el Amado,

ceso todo, y dejéme,

dejando mi cuidado

entre las azucenas olvidado.


DONKERE NACHT

I

In een nacht, aardedonker,

in brand geraakt en radeloos van liefde,

en hoe had ik geluk! –

ging ik eruit en niemand

die ’t merkte – want mijn huis lag reeds te slapen.

II

In ’t donker, geheel veilig

langs de geheime trap en in vermomming,

en hoe had ik geluk! –

in ’t donker, ongezien ook,

want alles in mijn huis lag reeds te slapen.

III

In de nacht die de kans geeft,

in het geheim, zodat geen mens mij zien kon

en ook ikzelf niets waarnam :

ik had geen ander leidslicht

dan wat er in mijn eigen binnenst brandde.

IV

Dat was het dat mij leidde

zekerder dan het zonlicht op de middag –

daarheen waar op mij wachtte,

van Wie ik zeker zijn kon

en op een plaats waar niemand ooit zou komen.

V

O nacht die mij geleid hebt!

O nacht, mij liever dan het morgengloren!

O nacht die hebt verenigd

Beminde met beminde,

beminde, opgegaan in de Beminde!

VI

Aan mijn borst, wei vol bloemen,

Hem alleen, onbetreden voorbehouden,

daar is Hij ingeslapen

en heb ik Hem geliefkoosd

en gaf de waaier van de ceders koelte.

VII

De koelte van de tinnen

kwam, onderwijl ik door zijn haren heenstreek,

met haar hand, licht en rustig,

mij aan de hals verwonden

en stelde al mijn zinnen buiten werking.

VIII

Mijzelf liet ik, vergat ik;

ik drukte het gelaat aan mijn Beminde;

het al stond stil, ik liet mij gaan,

liet al mijn zorgen liggen :

tussen de witte leliën vergeten.


Het gedicht van Johannes van het Kruis is geïnspireerd en beïnvloed door de lezing van een aantal verzen uit de tekst van het Hooglied, waar de bruid het huis verlaat om op zoek te gaan naar haar beminde. De tekst uit Hooglied 3,1-2 luidt:

’s Nachts in mijn slaap zoek ik mijn lief.

Ik zoek hem, maar ik vind hem niet.

Laat ik opstaan, rondgaan in de stad,

laat ik in de straten, op de pleinen,

zoeken naar mijn allerliefste.

Ik zoek hem, maar ik vind hem niet.

Deze tekst uit het Hooglied levert voor de bruid geen resultaat op. Zij vindt haar geliefde niet. Johannes van het Kruis geeft een heel andere draai aan dit smachten en de route die wordt afgelegd. De beminde wordt gevonden, de vervulling is nabij. De nacht is voorwaarde voor het succes van de onderneming. In de nacht blijft de tocht van de smachtende beminde verborgen. De nacht maakt de ondernomen poging om de Beminde te vinden pas mogelijk. En in die donkere nacht is het enige licht dat de weg wijst een innerlijk licht. Een licht, een verlangen, dat meer zekerheid geeft, dan het licht van de zon. Edith Stein schrijft over deze weg, deze route naar de beminde door de nacht:

De bevrijding wordt een nacht genoemd, waar de ziel doorheen moet gaan. Zij is dat in drievoudige zin: met het oog op het uitgangspunt, de weg en het doel. Uitgangspunt is het verlangen naar de dingen van deze wereld, dat zij zich nu moet ontzeggen. Dit ontzeggen plaatst haar in het duister, als in het niets. Daarom wordt het nacht genoemd. De wereld die wij met onze zinnen waarnemen, is immers van nature de vaste grond die ons draagt, het huis waarin wij ons thuis voelen, dat ons voedt en van al het nodige voorziet, de bron van onze vreugden en genietingen. Wordt zij ons ontnomen of worden wij genoodzaakt ons uit haar terug te trekken, dan is het werkelijk alsof ons de grond onder de voeten is weggehaald en het nacht wordt om ons heen; alsof wijzelf moeten wegzinken en vergaan. Maar zo is het niet. In werkelijkheid worden wij op een veilige weg geplaatst, wel op een donkere weg, in nacht gehuld: de weg van het geloof. Het is een weg, want hij leidt naar het doel, de vereniging. Maar het is een nachtelijke weg, want in vergelijking met het heldere inzicht van het natuurlijk verstand is het geloof een duister kennen: het leert ons iets kennen, maar wij krijgen het niet te zien. Daarom moet gezegd worden, dat ook het doel, dat wij langs de weg van het geloof bereiken, nacht is: God blijft voor ons op aarde ook in de zalige vereniging verborgen. Ons geestesoog is niet geschikt voor zijn helder licht en kijkt als het ware in een nachtelijk duister. Zoals echter de kosmische nacht, zolang hij duurt, niet altijd even duister is, heeft ook de mystieke nacht zijn bepaalde tijden en daaraan beantwoordende graden. Het wegzinken van de zintuiglijke wereld is als het invallen van de nacht, waarbij nog een schemerlicht overblijft van de helderheid van de dag. Het geloof daarentegen is het middernachtelijk duister, omdat hier niet alleen de activiteit van de zinnen uitgeschakeld is, maar ook de natuurlijke kennis van het verstand. Wanneer de ziel echter God vindt, breekt in haar nacht om zo te zeggen al de ochtendschemering van de nieuwe dag der eeuwigheid aan.

In het lied, het gedicht van Johannes van het Kruis vindt de beminde haar/zijn Beminde en vindt er een vereniging plaats. Gevonden wordt de Beminde, en de beeldspraak verwijst weer naar de woorden over de tuin in het Hooglied. De beminde is ‘niet meer bij de les’, zwelgend in het genot van de ontmoeting. Edith Stein stelt echter nuchter vast: “God blijft voor ons op aarde ook in de zalige vereniging verborgen. Ons geestesoog is niet geschikt voor zijn helder licht en kijkt als het ware in een nachtelijk duister.”

In feite is echter elk woord dat wij wijden aan een beschrijving van God een menselijk woord. Dat wil zeggen, een tekortschieten, een falen in de beschrijving, een aanduiden slechts, een verwijzen, een vermoeden onder woorden gebracht. Onze woorden vallen niet samen met de werkelijkheid van God. Het gedicht van Johannes lijkt een vervoering te beschrijven, maar of het ook een samenvallen is van een mens met God, zou ik niet zomaar durven stellen.

De exegese van het Hooglied kent veel verklaringen. God als bruidegom, God als gazelle in hoofdstuk 2,9: “Als een gazelle is mijn lief, als het jong van een hert. Kijk! Hij staat al bij de muur. Hij blikt door het venster, tuurt door de spijlen.” God die door het raam van de tempel naar binnen kijkt. Hij kijkt naar ons mensen. Hoe wij bezig zijn, bidden, leven. Een God die vluchtig is als het jong van een hert, en het slotvers in hoofdstuk 8, 14 luidt: “Ga nu vlug, mijn lief! Spring als een gazelle, als het jong van een hert over de bergen vol balsemkruid.”

Prachtig is deze beeldspraak, maar het is geen “realitas” (Latijn voor werkelijkheid), geen realiteit. De tekst moet je niet letterlijk, niet al te letterlijk nemen. Het is de kracht van de poëzie die hier de weg baant en die ook in de woorden van Johannes van het Kruis, het verlangen stem geeft en de vervoering beschrijft. Edith Stein noemt deze weg de gang van het geloof. Een vorm van duister kennen. Misschien ook wel intuïtief weten en volgen van de richtingaanwijzers die de bijbel ons mee geeft. Als kritisch lezer ontleedt Edith Stein stukje voor stukje het corpus van Johannes van het Kruis, maar ook zij moet het soms doen met suggesties, vermoedens, hypothesen omdat de teksten door veel handen zijn gegaan en niet rechtstreeks zijn overgeleverd als testament van Johannes van het Kruis. De analyse die Johannes van het Kruis zelf geeft is onvolledig gebleven. Maar desalniettemin is er zoveel bewaard gebleven dat wij, als lezers van eeuwen later, toch nog kunnen genieten van de rijkdom van zijn woorden en zijn beelden. Valkuil in het lezen van het werk van Johannes van het Kruis en ook in de teksten van Edith Stein is, dat er theologie van wordt gemaakt. Het is poëzie met een theologische ondertoon, poëzie waarin op een creatieve en nieuwe wijze iets over de ervaring van God en de ervaring van een verlatenheid door God wordt gezegd. Als gelovige kun je aan dit proces deelnemen, er kennis van nemen, en je eigen woorden proberen te vinden, woorden die actueel zijn en die aan je eigen leven raken. Actualisering wil niks anders zeggen dan oude woorden in je leven binnen laten komen. Je zult zien, als dat werkelijk gebeurt, gaan deze woorden ook in jou leven, want het zijn levende woorden, woorden geënt op de liefde, woorden van leven.

John Hacking

29 april 2022

Bron: Stein, Edith, Wetenschap van het kruis. Studie over Johannes van het kruis, Gent 1987 (Carmelitana)

2 gedachten over “(1) Wetenschap van het kruis – het kruis als NACHT – Edith Stein

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.