Frankl over tijdelijkheid en sterfelijkheid

Tijdelijkheid en sterfelijkheid: een ontologisch essay1

Viktor E. Frankl

Oog in oog met de vergankelijkheid van het leven kunnen we zeggen dat de toekomst nog niet bestaat, dat het verleden niet meer bestaat en dat het enige dat werkelijk bestaat, het heden is. We kunnen ook zeggen dat de toekomst niets is, dat het verleden ook niets is en dat de mens voortkomt uit het niets; dat hij het leven is ‘binnengeworpen’ en bedreigd wordt door het niets. Hoe kan een mens dan ‘met het oog op de vergankelijkheid van het menselijk bestaan’, een zin vinden in het leven?

De existentiële filosofie beweert dat hij dat kan. Wat deze filosofie ‘tragisch heldendom’ noemt, is de mogelijkheid om ‘ja’ te zeggen tegen het leven ondanks zijn vergankelijkheid. Existentialisme legt de nadruk op het heden, hoe vergankelijk het heden ook mag zijn. Het tegenovergestelde kan worden gezegd van het quiëtisme, dat, in navolging van Plato en Sint Augustinus, leert dat de eeuwigheid de echte werkelijkheid is in plaats van het heden. Wat met eeuwigheid wordt bedoeld, is een wereld die gelijktijdig het heden, het verleden en de toekomst omvat. Met andere woorden, de realiteit van het verleden noch die van de toekomst wordt ontkend, maar veeleer de realiteit van de tijd als zodanig. De eeuwigheid wordt gezien als een vier-dimensionale wereld, blijvend, onveranderlijk en waarin alles vaststaat. Volgens het quiëtisme is tijd denkbeeldig en zijn het verleden, het heden en de toekomst louter illusies van ons bewustzijn. Alles bestaat gelijktijdig. Gebeurtenissen volgen elkaar niet op als een opeenvolging in de tijd, maar wat lijkt op die opeenvolging is slechts zelfbedrog, veroorzaakt door ons bewustzijn dat langs de ‘gebeurtenissen’ glijdt, dat wil zeggen, langs de individuele aspecten van de onveranderlijke realiteit die elkaar niet opvolgen, maar in werkelijkheid samen bestaan.

Het is te begrijpen dat quiëtisme noodzakelijkerwijze tot fatalisme leidt: als alles al ‘is’, kan er niets worden veranderd en heeft het dus geen zin iets te doen. Dit fatalisme, voortgekomen uit een geloof in een onveranderlijk zijn, heeft zijn tegenhanger in het pessimisme van het existentialisme, dat het gevolg is van het geloof dat alles onstabiel en veranderlijk is. De logotherapie neemt een middenpositie in tussen quiëtisme en existentialisme en dit kan het best worden verduidelijkt door de overeenkomst met de zandloper, het oude symbool van de tijd. Het bovenste gedeelte van de zandloper stelt de toekomst voor, dat wat nog moet komen, zoals het zand in het bovenste gedeelte, dat nog door de nauwe opening zal stromen die het heden voorstelt. Het benedenste deel van de zandloper stelt het verleden voor, het zand dat al door de nauwe opening is gestroomd. Het existentialisme nu ziet alleen de nauwe opening van het heden, maar negeert het bovenste en benedenste gedeelte, de toekomst en het verleden. Quiëtisme daarentegen ziet de zandloper in zijn geheel, maar beschouwt het zand als een bewegingloze massa die niet ‘stroomt’, maar alleen maar ‘is’.

De logotherapie zou als zijn mening willen geven dat het waar is dat de toekomst eigenlijk ‘niet is’, maar dat het verleden de echte werkelijkheid is. En ook deze positie kan worden uitgelegd door de vergelijking met de zandloper. Zoals alle vergelijkingen, gaat ook deze natuurlijk mank, maar het is juist vanwege dit mankement dat het wezen van de tijd kan worden aangetoond. Laten we eens kijken.

Een zandloper kan worden omgedraaid wanneer het bovenste gedeelte leeg is. Dit kan echter niet worden gedaan met de tijd, de tijd is onomkeerbaar. Nog een verschil: door met de zandloper te schudden kunnen we de zandkorrels door elkaar mengen zodat hun positie ten opzichte van elkaar verandert. Dat kunnen we met de tijd slechts ten dele doen: we kunnen de toekomst ‘opschudden’ en veranderen, maar het verleden ligt vast. Om in de terminologie van de zandloper te spreken, het is alsof het zand verstijft wanneer het eenmaal door de nauwe opening van het heden is gegaan, alsof het is behandeld met een fixeermiddel, een bewaarmiddel, een conserveermiddel. In feite wordt alles in het verleden bewaard en het wordt daar bewaard voor altijd.

Wat de onloochenbare vergankelijkheid van het leven aangaat, de logotherapie beweert dat dit eigenlijk alleen slaat op de mogelijkheden om zinvol te leven, de gelegenheid om iets te scheppen, te ervaren en zinvol te lijden. Zodra zulke mogelijkheden eenmaal werkelijkheid zijn geworden, zijn ze niet meer vergankelijk – ze zijn voorbij, ze zijn verleden en dat betekent dat ze in zekere zin nog steeds bestaan als een deel van het verleden. Niets kan ze veranderen, niets kan ze vernietigen. Als eenmaal een mogelijkheid tot werkelijkheid is gemaakt, is dat voor eens en voor altijd gedaan, voor eeuwig.

Nu kunnen we zien hoe de logotherapie een ‘optimisme van het verleden’ stelt tegenover het ‘pessimisme van het heden’, zoals dat door het existentialisme wordt gepredikt. Eens heb ik het verschil tussen deze twee uitgedrukt in de volgende vergelijking: ‘De pessimist lijkt op een man die met vrees en droefheid bemerkt dat zijn kalender, waarvan hij iedere dag een blad afscheurt, dunner wordt bij iedere dag die voorbijgaat. Van de andere kant is iemand die de problemen van het leven actief te lijf gaat, gelijk aan een man die ieder volgend blad van zijn kalender scheurt en het netjes en zorgvuldig opbergt bij de vorige blaadjes, nadat hij eerst een paar dagboeknotities heeft gemaakt op de keerzijde. Hij kan met trots en vreugde terugzien op al de rijkdom die hij in deze notities heeft opgeslagen, op al het leven dat hij reeds ten volle heeft geleefd. Wat maakt het hem uit als hij merkt dat hij ouder wordt? Heeft hij enige reden om de jonge mensen die hij ontmoet, te benijden of heimwee te krijgen naar zijn eigen verloren jeugd? Wat voor redenen heeft hij om iemand die jong is te benijden? Misschien vanwege de mogelijkheden die nog open liggen voor jongeren, de toekomst die ze nog voor zich hebben? ‘Nee, dank je,’ zal hij denken. ‘In plaats van mogelijkheden heb ik werkelijkheden in mijn verleden, niet alleen de werkelijkheid van arbeid die ik heb verricht en van liefde die ik heb beleefd, maar ook van lijden dat ik dapper heb gedragen. Dit lijden is iets waarop ik het meest trots ben, hoewel dat niet iets is waar je jaloers op kunt worden.’ Van hun kant zouden jonge mensen zich niet moeten laten besmetten door de algemene minachting waarmee een samenleving die op de jeugd is ingesteld, oudere mensen benadert. Anders zullen jongelui die het geluk hebben om zelf oud te worden, vast en zeker hun minachting voor oudere mensen zien veranderen in minachting voor zichzelf. De logotherapie leert dat ‘geweest zijn’ nog steeds een vorm is van zijn, misschien zelfs de veiligste vorm. In het zinnetje ‘verleden zijn’ legt de logotherapie de nadruk op ‘zijn’. Toen Martin Heidegger voor het eerst Wenen bezocht, kwam hij me thuis opzoeken en we praatten samen over deze dingen. Om zijn instemming te betuigen met mijn ideeën over het verleden zoals ik ze hierboven heb uiteengezet, signeerde hij zijn foto als volgt:

Das Vergangene geht;. Das Gewesene kommt.

[Wat verleden is, is voorbij; wat voorbij is, komt.]

Laten we nu eens kijken hoe de ontologie van de logotherapie in de praktijk kan worden toegepast, vooral haar ontologie van de tijd. Stelt u zich een vrouw voor die na slechts één jaar huwelijk haar man heeft verloren. Ze is wanhopig en ziet geen zin meer in haar toekomstig leven. Het zou veel voor zo iemand betekenen als ze zich nu kon realiseren dat haar ene jaar van huwelijksgeluk haar nooit kan worden ontnomen. Ze heeft het als het ware in veiligheid gebracht in haar verleden. Niets en niemand kan deze schat daar ooit vandaan halen. Zelfs al zou ze kinderloos blijven, dan kan haar leven nooit zinloos worden als eenmaal de hoogtepunten van haar liefdeservaringen opgeslagen zijn in de opslagplaats van het verleden.2

Maar, kan men vragen, is deze herinnering niet ook vergankelijk? Wie zal haar bij voorbeeld levendig houden als de weduwe gestorven is? Hierop zou ik willen antwoorden dat het er niet toe doet of iemand zich iets herinnert of niet, net zoals het er niet toe doet of we naar iets kijken of aan iets denken dat nog bestaat en bij ons is. Het bestaat en blijft bestaan, onafhankelijk van het feit of ik ernaar kijk of eraan denk. Het blijft bestaan, zelfs onafhankelijk van ons eigen bestaan.

Weliswaar kunnen we niets meenemen als we doodgaan, maar die volledigheid van ons leven die we juist op het moment van onze dood voltooien, ligt buiten het graf en buiten het graf blijft zij bestaan – en ze blijft niet ofschoon maar omdat zij is overgegaan naar het verleden. Zelfs dat wat we hebben vergeten, wat aan ons bewustzijn is ontsnapt, is niet van de aarde weggevaagd. Het is een deel van het verleden geworden en blijft een deel van de wereld.

Als we dat wat deel uitmaakt van de wereld, zouden identificeren met dat wat iemand zich herinnert, zou dat een subjectivistische en verkeerde interpretatie zijn van onze ontologie van de tijd. Deze ontologie is geen kwestie van een ivoren toren op een hoog abstract niveau, verre van dat, zij kan zelfs iedereen worden duidelijk gemaakt als we het aanpakken op de manier zoals Socrates dat deed. Dit gebeurde toen ik een van mijn patiënten ondervroeg in de collegezaal. Ze had verteld dat ze zich zorgen maakte over de vergankelijkheid van het leven. ‘Vroeg of laat is het voorbij,’ zei ze, ‘en er zal niets meer over zijn.’ Ik kon haar er niet van overtuigen dat de vergankelijkheid van het leven niets afdeed aan het feit dat het zinvol is. Dus ging ik iets verder en vroeg haar. ‘Hebt u ooit een mens gekend voor wiens prestaties u groot respect hebt?’ ‘Zeker,’ antwoordde zit, ‘onze huisdokter was een uniek persoon. Zo goed als hij zorgde voor zijn patiënten en zoals hij leefde voor hen…’ ‘Is hij gestorven?’ vroeg ik. ‘Ja,’ antwoordde zij. ‘Maar zijn leven was uiterst zinvol, nietwaar?’ vroeg ik. ‘Als iemands leven zinvol was, dan was het het zijne,’ zei ze. ‘Maar hield die zinvolheid niet op toen zijn leven was afgelopen?’ vroeg ik haar. ‘Helemaal niet,’ antwoordde zij, ‘niets kan het feit veranderen dat zijn leven zinvol was.’ Ik ging door met haar uit te dagen: ‘En wat gebeurt er wanneer geen enkele patiënt op de juiste waarde schat wat hij verschuldigd is aan jouw huisdokter?’ ‘Zijn leven blijft zinvol,’ mompelde ze. ‘Of als geen enkele patiënt het zich herinnert?’ ‘Het blijft zinvol.’ ‘Of wanneer op zekere dag de laatste van zijn patiënten sterft?’ ‘Het blijft zinvol…’

Ik wil nog een voorbeeld aanhalen dat ik op de band heb opgenomen. Het is een onderhoud dat ik had met een van mijn andere patiënten.21 Ze had kanker die niet meer te genezen was, en dat wist ze. Toen ik met haar praatte in de collegezaal, ontspon zich het volgende gesprek:

Frankl: Waar denkt u aan als u terugblikt op uw leven? Was het de moeite waard?

Patiënt: Nou dokter, ik moet zeggen dat ik een goed leven heb gehad. Het leven was inderdaad fijn. Ik moet Onze Lieve Heer bedanken voor wat het me heeft geschonken: ik ging naar de schouwburg en naar concerten enzovoort. Ziet u dokter, ik ging daarheen met de familie waar ik vele tientallen jaren heb gediend als dienstbode, eerst in Praag en later in Wenen. En voor de genade van al die heerlijke gaven ben ik God dankbaar. Toch voelde ik dat ook zij twijfels had over de uiteindelijke zin van haar leven en ik wilde haar door haar twijfels heen loodsen. Dus liet ik haar zoeken naar de zin van haar leven bij vol bewustzijn, in plaats van haar twijfels te onderdrukken.

F: U spreekt van enkele heerlijke ervaringen, maar dat zal nu allemaal afgelopen zijn, nietwaar?

P: (bedachtzaam) Ja, aan alles komt een eind…

F: Denkt u nu dat al die fijne dingen van uw leven zouden kunnen worden vernietigd?

P: (nog bedachtzamer) Al die fijne dingen…

F: Maar vertelt u me eens, denkt u dat iemand dat geluk dat u hebt ervaren te niet kan

doen? Kan iemand het uitwissen?

P: Nee, dokter, niemand kan het uitwissen!

F: of kan iemand de goedheid uitwissen die u hebt ondervonden in uw leven?

P: (die steeds meer emotioneel betrokken raakt) Niemand kan die uitwissen!

F: Wat u hebt bereikt en volbracht. . .

P: Niemand kan dat uitwissen!

F: of wat u dapper en eerlijk hebt ondergaan: kan iemand dat wegnemen uit de wereld, wegnemen uit het verleden waar u het als het ware hebt opgeslagen?

P: (die nu tot tranen toe is bewogen) Niemand kan het wegnemen [Pauze] Het is waar, ik heb veel moeten lijden, maar ik probeerde ook standvastig en moedig te zijn in het verdragen van wat nodig was. Ziet u, dokter, ik bekijk mijn lijden als een straf. Ik geloof in God.

F: (‘die probeert zich te verplaatsen in de toestand van de patiënt) Maar kan lijden soms ook niet een uitdaging zijn? Is het niet denkbaar dat God wilde zien hoe Anastasia Kotek het zou dragen? En misschien moest hij erkennen: ’Ja, ze deed het heel dapper. En vertelt u me nu eens: kan iemand Zo’n succes en zo’n prestatie uit de wereld wegnemen, mevrouw Kotek?

P: Dat kan zeker niemand!

F: Dat blijft, nietwaar?

P: Ja zeker!

F: Belangrijk in het leven is dat men iets tot stand brengt. En dat is nu juist wat u hebt gedaan. U hebt uw lijden zo goed mogelijk gedragen. U bent een voorbeeld geworden voor onze patiënten vanwege de manier waarop u uw lijden aanvaardt. Ik feliciteer u met deze prestatie en ik feliciteer ook de andere patiënten die het geluk hebben getuige te zijn van zo’n voorbeeld. [Tot het publiek] Ecce homo! [Een spontaan applaus stijgt op uit het gehoor] Dit applaus is voor u, mevrouw Kotek. [Ze huilt nu] Het is bedoeld voor uw leven dat een groot succes is geweest. U kunt er trots op zijn, mevrouw Kotek. En hoe weinig mensen kunnen trots zijn op hun leven… Ik zou zeggen, uw leven is een monument. En niemand kan het uit de wereld wegnemen.

P: (haar zelfbeheersing terugkijkend) Wat u hebt gezegd, professor Frankl, is een troost. Het doet me goed. Inderdaad, ik heb nooit een gelegenheid gehad om iets dergelijks te horen… [Langzaam en rustig verlaat zij de collegezaal.]

Een week later stierf ze. Tijdens de laatste week van haar leven was ze niet langer terneergeslagen maar integendeel vol geloof en trots. Van tevoren had ze het heel erg moeilijk gehad omdat ze zich er veel zorgen over maakte dat ze nutteloos was. Ons gesprek had haar tot het bewustzijn gebracht dat haar leven zinvol was en dat zelfs haar lijden niet voor niets was. Haar laatste woorden waren: ‘ Mijn leven is een monument. Dat zei professor Frankl tot alle toehoorders, tot alle studenten in de collegezaal. Mijn leven was niet voor niets…’

Weliswaar gaat alles voorbij – alles en iedereen, of het nu bijvoorbeeld een kind is dat we hebben voortgebracht, of de grote liefde waaruit dat kind is voortgekomen, of een belangrijke gedachte – ze gaan allemaal voorbij. Een mensenleven duurt zeventig, tachtig jaar of langer en als het een goed leven is, zal het de moeite waard zijn geweest. Een gedachte kan misschien zeven seconden duren en als het een goede gedachte is, zal zij waarheid bevatten. Maar zelfs de belangrijke gedachte gaat nog voorbij, net als het kind en de grote liefde. Ze gaan allemaal voorbij. Alles gaat voorbij.

Toch is van de andere kant alles eeuwig. Meer nog: het wordt vanzelf eeuwig. Daar hoeven we niets voor te doen. Als we eenmaal iets tot stand hebben gebracht, zal de eeuwigheid er wel voor zorgen. Maar wij moeten de verantwoordelijkheid op ons nemen voor welke daden we hebben gekozen, wat we hebben uitgezocht om deel uit te maken van ons verleden, wat we hebben uitverkoren om de eeuwigheid binnen te gaan. Alles wordt genoteerd in het eeuwige logboek – ons hele leven, al onze scheppingen en daden, ontmoetingen en ervaringen, al ons liefhebben en lijden. Dat staat allemaal voor altijd opgeschreven in het eeuwige logboek. De wereld is niet, zoals de grote existentialist Karl Jaspers het wilde, een manuscript geschreven in een code die we moeten ontcijferen: neen, de wereld is veeleer een verslag dat we moeten dicteren. Dit verslag is van dramatische aard, want dag na dag stelt het leven ons vragen, we worden ondervraagd door het leven en we moeten antwoorden. Ik zou zeggen, het leven is een levenslange periode van vraag-en-antwoord. Wat de antwoorden betreft, kan ik niet anders dan blijven herhalen dat we slechts op het leven kunnen antwoorden door verantwoording af te leggen voor ons leven. Antwoorden op ons leven betekent verantwoordelijk zijn voor ons leven.

Het eeuwige logboek kan niet verloren gaan, dat is een troost en een hoop. Maar het kan ook niet worden gecorrigeerd en dat is een waarschuwing om aan te denken. Het herinnert ons eraan dat niets uit het verleden kan worden weggenomen en dat het daarom des te meer onze taak is om onze gekozen mogelijkheden veilig te stellen in het verleden. Nu blijkt dat de logotherapie niet alleen een ‘optimisme van het verleden vertoont’ (in tegenstelling tot het ‘pessimisme van het heden’ van het existentialisme), maar ook een ‘activisme van de toekomst’ (in tegenstelling tot het ‘fatalisme van de eeuwigheid’ van het quiëtisme).

Want als alles voor altijd in het verleden wordt opgeborgen, is het belangrijk om in het heden te besluiten wat we willen vereeuwigen door het deel te laten zijn van het verleden. Dit is het geheim van de creativiteit: dat we iets verschuiven van het niets van de toekomst naar het ‘verleden zijn’. De menselijke verantwoordelijkheid rust aldus op het ‘activisme van de toekomst’, op de keuze van de mogelijkheden uit de toekomst, en op het ‘optimisme van het verleden’, dat wil zeggen dat deze mogelijkheden worden omgezet in werkelijkheden door ze veilig binnen te loodsen in de haven van het verleden.

Dit nu is de reden waarom alles zo vergankelijk is: alles is in vloeiende beweging omdat alles vlucht vanuit de leegheid van de toekomst naar de veiligheid van het verleden! Het is alsof alles wordt beheerst door wat de vroegere natuurkundigen de horror vacui noemden, de angst voor de leegte. Daarom holt alles vanuit de toekomst naar het verleden, vanuit de leegte van de toekomst naar het bestaan in het verleden. Daarom ontstaat er een verstopping bij de ‘nauwe doorgang en opening van het heden’, omdat daar alles zich ophoopt in afwachting te worden verlost – als een gebeurtenis die naar het verleden overgaat, of als een van onze scheppingen of daden die door ons wordt toegelaten in de eeuwigheid.

Het heden is de grens tussen de onwerkelijkheid van de toekomst en de eeuwige werkelijkheid van het verleden. Daarom is het de ‘grens’ van de eeuwigheid. Met andere woorden, eeuwigheid is eindig: hij gaat niet verder dan het heden, het moment van nu waarop wij kiezen wat wij wensen toe te laten tot de eeuwigheid. De grens van de eeuwigheid is de plaats waar op ieder moment van ons leven de beslissing wordt genomen over wat moet worden vereeuwigd en wat niet. We kunnen nu begrijpen hoe verkeerd het eigenlijk is om het begrip ‘tijd winnen’ op te vatten alsof daarmee wordt bedoeld dat dingen moeten worden verschoven naar de toekomst. We winnen eerder tijd door iets veilig af te leveren en op te slaan in het verleden. En om de vergelijking met de zandloper weer op te nemen, wat gebeurt er als het zand door de hals is gestroomd en het bovenste gedeelte leeg is, wanneer de tijd voor ons op is en ons leven zowel afgelopen als afgerond is? Kortom, wat gebeurt erbij de dood?

Bij de dood stolt alles wat voorbij is, in het verleden. Niets kan meer worden veranderd. De persoon heeft niets tot zijn beschikking: geen verstand, geen lichaam; hij heeft zijn psycho-fysieke ik verloren. Wat er overblijft is het zelf, het geestelijke zelf. Vele mensen geloven dat een stervende zijn hele leven als een ‘snel draaiende’ film voorbij ziet flitsen in een fractie van een seconde.3 Om deze vergelijking voort te zetten kan men zeggen dat bij de dood iemand zelf de film wordt. Hij ‘is’ nu zijn leven, hij is de geschiedenis van zijn leven geworden, hoe goed of hoe slecht het ook geweest mag zijn. Hij is zijn eigen hel of zijn eigen hemel geworden.

Dit leidt tot de paradox dat iemands eigen verleden zijn ware toekomst is. De levende mens heeft een toekomst én een verleden, de stervende mens heeft geen toekomst in de gewone betekenis van het woord, maar alleen een verleden, de dode ‘is’ echter zijn verleden. Hij heeft geen leven, hij ‘is’ zijn leven. Dat het ‘slechts’ zijn voorbije leven is, maakt geen verschil. Per slot van rekening is het verleden de veiligste manier van zijn. Het verleden is nu juist dat wat niet weggenomen kan worden.

Dit verleden is ‘voltooid verleden’ in de letterlijke zin van het woord. Het leven is dan afgemaakt, voltooid. Terwijl in de loop van het leven slechts losse faits accomplis door de hals van de zandloper gaan, is na de dood het leven in zijn geheel erdoor en wordt een par-fait accompli! Dit voert naar een tweede paradox en nog wel een dubbele. Als het waar is dat de mens zoals we zeiden iets tot werkelijkheid maakt door het in het verleden te plaatsen (en het daardoor, ironisch genoeg, te vrijwaren van zijn vergankelijkheid) – als dat zo is, dan maakt de mens zich zelf tot een werkelijkheid en ‘schept’ hij zich zelf Op de tweede plaats wordt hij geen werkelijkheid bij zijn geboorte, maar veeleer bij zijn dood. Hij ‘schept’ zich zelf op het moment van zijn dood. Zijn zelf is niet iets dat ‘is’, maar iets dat wordt en daarom pas volledig zichzelf wordt, wanneer het leven voltooid is door de dood.

Natuurlijk is de mens in het dagelijks leven geneigd om de betekenis van de dood mis te verstaan. Wanneer de wekker ’s morgens afloopt en ons uit onze dromen opschrikt, dan ervaren we dat ontwaken alsof er iets vreselijks binnendringt in de wereld van onze dromen. En omdat we nog in onze dromen verwijlen, realiseren we ons vaak niet (tenminste niet onmiddellijk) dat de wekker ons wekt voor ons echte bestaan, ons bestaan in de echte wereld. Maar doen wij, stervelingen, niet hetzelfde als de dood nadert? Vergeten wij ook niet dat de dood ons wekt voor de echte werkelijkheid van ons zelf? Zelfs als een liefdevol strelende hand ons wekt, al is de aanraking nog zo zacht, dan zijn we ons niet bewust van zijn zachtheid. Opnieuw ervaren we alleen maar een inbreuk op de wereld van onze dromen, een poging om daar een eind aan te maken. Evenzo lijkt de dood heel vaak iets dreigends en we vermoeden nauwelijks hoe goed het bedoeld is…

Noten:

1 Gebaseerd op een lezing getiteld Der seelisch kranke Mensch vor der Frage nach dem Sinn des Daseins, die ik heb gehouden op de universiteit van Innsbruck in Tirol op 19 februari 1947.

2 De mening dat voortplanting de enige betekenis in het leven is, is in tegenspraak met zich zelf en schakelt zich zelf uit. Als het leven op zich zinloos is, kan het nooit zinvol worden gemaakt alleen maar door het te laten voortbestaan.

3 Een toepasselijk verhaal hierover heb ik te danken aan wijlen Rudolf Reif, een vroegere kameraad van me bij het berg beklimmen. Ik heb ook een artikel over dat verhaal gepubliceerd samen met wijlen Otto Pötzl, de uitmuntende specialist in hersenziekten ( Über die seelischen Zustände während des Absturzes’ In: Monatschrift für Psychiatrie und Neurologie, 123, 1952, blz. 362-380).

Bron: http://www.viktorfrankl.nl/

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.