Over wijsheid en ouderdom bij A.J. Heschel

Ik zie de zieken en de verachten, de verslagenen en de verbitterden, de verworpenen en de eenzamen. Ik zie hen in groepen en alleen, zich vastklampend aan de hoop op iemands genegenheid, maar tevergeefs. Ik hoor hen bidden om de bevrijding, die komt met de dood. Ik zie hen misdeeld en vergeten, meesters gisteren, uitgestotenen vandaag. Wij zijn aan de ouden eerbied verschuldigd, maar zij vragen slechts consideratie en aandacht om niet afgedankt en vergeten te worden. Zij verdienen een voorkeursbehandeling, maar wij behandelen hen zelfs niet als gelijken. E‚n vader ziet kans een dozijn kinderen te onderhouden, maar een dozijn kinderen ziet geen kans ‚‚n vader te onderhouden. Misschien is dit het pijnlijkste aspect van de situatie. De zorg voor de ouden wordt beschouwd als liefdadigheid en niet als een verheven voorrecht. In de onsterfelijke woorden van de Tien Geboden verkondigde de God van Israel niet: Erken Mij, Eer Mij. In plaats daarvan verkondigde Hij: Eer uw vader en uw moeder. Er is geen eerbied voor God zonder eerbied voor vader en moeder. In de joodse traditie is het eren van vader en moeder een gebod, waarvan de vol maakte nakoming de kracht van de mens te boven gaat. Er is geen grens aan het geen een kind zou moeten doen bij de uitoefening van dit voorrecht van liefde. God is onzichtbaar, maar mijn moeder is Zijn tegenwoordigheid… Vader en moeder zijn altijd ouder, meer gevorderd in jaren. Maar moet gevorderdheid in jaren beschouwd worden als een vooruitgang of als een achteruitgang? Ons probleem is tweeledig: de houding van de samenleving jegens de ouden en de oude dag ‚n de houding van de ouden jegens hun ouderdom. De typerende houding jegens de ouderdom wordt gekenmerkt door vrees, verwarring, ongerijmdheid, zelfbedrog en oneerlijkheid. Het is pijnlijk en zonderling. Wij willen allemaal graag oud worden. Maar als wij dat bereikt hebben, beschouwen wij het als een nederlaag, als een soort doodstraf. De medische wetenschap mag denken dat zij ons een dienst heeft bewezen door ons in staat te stellen een hoge leeftijd te bereiken, wij blijven ons gedragen alsof het een ziekte was. Er wordt meer geld en tijd besteed aan de kunst om de tekenen van de ouderdom te verbergen dan aan de kunst om hartziekten of kanker te behandelen. Er zijn meer patiënten in de schoonheidssalons te vinden dan in de ziekenhuizen. Wij zijn liever kaal dan grijs. Een witte haar is een gruwel. Oud zijn is een nederlaag, iets om zich voor te schamen. Een authentiek en eerlijk bestaan wordt graag geruild voor valse luister, voor camouflage, imitatie en bedrog. Een grijze haar kan de kans op bevordering teniet doen, kan een handelsreiziger zijn betrekking kosten en een zoon innerlijk van zijn vader vervreemden. De vrees om oud gevonden te worden, is een traumatische obsessie geworden. Maar heel weinig mensen zijn begiftigd met de zeldzame en verheven moed om hun werkelijke leeftijd zonder verlegenheid toe te geven. Bij de meeste van ons duiken moed en eerlijkheid onder wanneer het over onze leeftijden gaat. De mooiste resolutie die de Witte Huisconferentie over het ouder worden zou kunnen aannemen, zou zijn het met ingang van heden weglaten van de geboortedatum uit het geboortebewijs. Zowel enorme menselijke ellende als zeer grote culturele en geestelijke schade wordt door deze twee verschijnselen van onze beschaving veroorzaakt: minachting voor de ouden en de traumatische angst om oud te worden. Monotheïsme heeft een nieuwe betekenis gekregen: het enige dat telt is jong zijn. Jeugd is onze god en jong zijn is goddelijk. Ongetwijfeld is de jeugd wonderbaar. Maar de verering van de jeugd is afgoderij. Abraham is de grote oude man, maar de Faustlegende is heidens. Een herziening van houdingen en opvattingen is noodzakelijk. Ouderdom is niet een nederlaag, maar een overwinning, niet een straf maar een voorrecht. In de opvoeding leggen wij de nadruk op de aanpassing van de jongeren aan de samenleving.

Het is onze taak aan te dringen op de aanpassing van de samenleving aan de ouden. Aan de hand van welke maatstaven meten wij de beschaving? Het is gebruikelijk een volk te veroordelen naar de omvang van zijn wetenschappelijke inbreng of de waarde van zijn kunstzinnige prestaties. Maar de werkelijke maatstaf aan de hand waarvan een beschaving gemeten behoort te worden, is de mate waarin eerbied, mededogen en gerechtigheid in het dagelijks leven van een volk gevonden kunnen worden, niet alleen in de daden van losstaande individuen. Beschaving is een stijl van leven, verenigbaar met de grootheid van menselijk zijn. De toets van een volk is hoe het zich gedraagt jegens de ouden. Het is gemakkelijk om kinderen lief te vinden. Zelfs tirannen en dictators wekken gaarne de indruk veel van kinderen te houden. Maar de genegenheid en de zorg voor de ouden, de ongeneeslijk zieken, de hulpelozen zijn de werkelijke goudmijnen van een beschaving. Wij houden vol dat alle mensen gelijk geschapen zijn, met inbegrip van de ouden. Het is opmerkelijk dat wij ons geroepen voelen om voor een dergelijke gelijkheid te pleiten in tegenstelling tot andere beschavingen, waarin aan de superioriteit van de ouden wordt vastgehouden.
In onze eigen dagen heeft zich een nieuw soort vrees in de harten van de mensen ontwikkeld: de vrees voor doktersrekeningen. In de geest van het beginsel dat eerbied voor de ouden voorrang heeft boven eerbied voor God, moeten wij verklaren dat een volk zo nodig bereid zou moeten zijn de schatten van zijn kunstverzameling en de geheiligde voorwerpen van zijn bedehuizen te verkopen ten einde een zieke mens te helpen.
Is er iets zo heilig, zo dringend, zo edel als de inspanning van het hele volk om medische zorg voor de ouden mogelijk te maken? Dit is een van de grote bijbelse inzichten: de noden van de lijdende mensheid komen voor de verantwoordelijkheid van zowel de enkeling als de gemeenschap. De vertegenwoordigers van de gemeenschap worden verantwoordelijk gesteld wanneer zij niet behoorlijk gezorgd hebben voor de behoeftigen. De oude wijzen beseften dat het niet voldoende was om op persoonlijke welwillendheid te steunen en dat de zorg voor de zieken voor de verantwoordelijkheid van de gemeenschap kwam. In overeenstemming  met deze traditie hebben alle grote godsdienstige organisaties het beginsel onderschreven van de verantwoordelijkheid van de overheid en het gebruik van het apparaat van de sociale zekerheid als het meest  doelmatige middel om het probleem van de medische verzorging van de ouden aan te pakken.
Het is inderdaad prachtig dat onze samenleving voor het eerst in de geschiedenis in staat is om te voorzien in de materiële noden van haar bejaarde burgers. Toch moeten wij naast het probleem van de materiële zekerheid het probleem van de psychologische en geestelijke zekerheid onder ogen zien. Hoe moeten wij de ouden bewaren voor moedeloosheid, wanhoop? Hoe kunnen wij de oude dag tot iets moois maken? Hoe kunnen we de authenticiteit van de ouderdom terugwinnen? De oude dag is een grote uitdaging voor het innerlijke leven; het vraagt zowel wijsheid als kracht om er niet aan te bezwijken. Volgens alle maatstaven die wij zowel in het openbare als in het persoonlijke leven gebruiken, is de bejaarde als minderwaardig  buitengesloten. Uit het oogpunt van werkkracht is hij een blok aan het been, die veel van onze hulpbronnen vergt. Omdat de mens is afgericht om te werken als een machine die geld verdient en uitgeeft, wiens betrekkingen alle afhankelijk zijn van zijn doelmatigheid, gaat hij zich, zodra de machine hapert en niet meer gerepareerd kan worden, voelen als een geest zonder gevoel voor de werkelijkheid. De bejaarde kan omschreven worden als een persoon die niet langer droomt, verstoken van ambitie, en levens in vrees voor verlies van zijn status. Daar hij zichzelf beschouwt als een persoon die zijn bruikbaarheid overleefd heeft, heeft hij het gevoel zich te moeten verontschuldigen dat hij nog leeft.
De tragedie is dat de ouderdom ons overrompelt als een schok waarop wij niet zijn voorbereid. Wanneer het leven uitsluitend omschreven wordt in termen van functies en activiteiten, is het dan nog de moeite waard om te leven wanneer functioneren en bedrijvigheid plotseling beknot worden? De tragedie is -ik herhaal het – dat de meeste van ons niet op de oude dag zijn voorbereid. Wij weten veel over wat wij met dingen kunnen doen, zelfs over wat wij met andere mensen kunnen doen; wij weten nauwelijks wat te doen met onszelf. Wij weten hoe wij in het openbaar moeten optreden; wij weten niet wat te doen in de persoonlijke levenssfeer. De ouderdom brengt het probleem mee wat er met de persoonlijke levenssfeer moet worden aangevangen.
Bij sommige primitieve volkeren werden de ouden in de regel veronachtzaamd en aan de dood blootgesteld als zij hulpeloos waren geworden. Tegenwoordig kan men zelfs in een luxueus hotel worden geplaatst om daar, aan zijn lot overgelaten, dood te gaan. Hoewel wij de ouderdom niet officieel omschrijven als een tweede jeugd, zijn sommige van de programma’s die wij ontwerpen, zeer doeltreffend om de ouden te helpen kinderen te worden. De algemene benadering is: ‘Zorg dat de ouderen levenslustig blijven, door hen aan te moedigen met oude hobby’s door te gaan of nieuwe te beginnen.’ Geheel opgaan in spelen en hobby’s, een te grote nadruk op ontspanning, is stellig geëigend om verveling tijdelijk te verdrijven, maar levert nauwelijks een bijdrage aan innerlijke kracht. De uitwerking is eerder een ingemaakt bestaan, verduurzaamd in pekel met specerijen. Is dit de wijze en het doel van het bestaan: studeren, groeien, zwoegen, rijpen en de pensioengerechtigde leeftijd bereiken om als een kind te gaan leven? Tenslotte betekent gepensioneerd zijn niet achterlijk zijn. Wat is de rol van ontspanning in het leven van bejaarden? Moet zij alleen maar dienen ter vervanging van het werk dat men eerder gedaan heeft? Het komt mij voor dat ontspanning een ander doel dient en dat een te grote overgave aan allerlei soorten van ontspanning de omstandigheid die zij tracht aan te pakken, te weten de banalisering van het bestaan, eerder verergert dan verbetert. In het verleden waren het ritueel en gebed die dat gevaar afwendden.
Gedurende duizenden jaren was het menselijke bestaan niet slechts beperkt tot de bevrediging van de banale behoeften. Door middel van gebed en ritueel kon de mens open blijven staan voor het wonder en het mysterie van het bestaan om een zweem van heerlijkheid aan de dagelijkse dingen te verlenen. De moderne mens heeft het ritueel afgedankt, heeft de kunst van het bidden niet geleerd, maar voor beide een vervanging gevonden in de beroepsroutine. Hij verbrak de verhouding met God, met de kosmos, zelfs met zijn volk, maar raakte in de ban van de jacht op succes. De spanning van het succes nam de plaats in van de inspiratie. Als hij zich terugtrekt uit zijn betrekking of uit zijn zaken, nemen spelen en hobby’s, de buitensociëteit of golf de plaats in van de kerk, de synagoge, het ritueel en het gebed. Zo liggen dus de feiten: hobby’s’ zijn in de plaats gekomen van het ritueel, niet alleen van het werk. Behoren wij geen duidelijk onderscheid te maken tussen ontspanning als vervanging en ontspanning als oplossing?
Authentiek menselijk bestaan omvat zowel werk als aanbidding, gebruiken en vieren.
Wij hebben het recht om te verbruiken, omdat wij de kracht hebben om te vieren. De mens van onze tijd is het vermogen om te vieren aan het verliezen; in plaats van deel te nemen aan geestelijke viering, probeert hij zich te laten vermaken of onder houden. Als hij de top van zijn jaren bereikt, ontdekt de mens dat amusement viering niet vervangt. Wat zijn de  fundamentele, geestelijke ziekten van de ouderdom? 1. Het gevoel nutteloos te zijn voor en verworpen te zijn door familie en samenleving; 2. het gevoel van innerlijke leegte en verveling; 3. eenzaamheid en angst voor de tijd. Laat ons zowel de oorzaak als de genezing van deze drie ziekten onderzoeken.
 

  1. HET GEVOEL NUTTELOOS TE ZIJN VOOR EN VERWORPEN TE ZIJN DOOR FAMILIE EN SAMENLEVING.

Hoewel het uitermate belangrijk is de mens te zien in zijn betrekking tot de samenleving, moeten wij niet vergeten dat de samenleving niet de enige en uiteindelijke relatie van de mens is. Hoewel onze ideologie‰n en instellingen nog altijd stilzwijgend inhouden dat de waarde van een persoon gelijk is aan zijn nut voor de samenleving, koestert elk van ons de ondubbelzinnige verwachting dat andere mensen hem niet alleen zullen achten op grond van wat hij voor hen waard is, omdat hij in staat is behoeften van andere mensen te bevredigen, maar hem zullen achten als een wezen dat in zichzelf opmerkelijk en waardevol is. Zoals de grootsheid van de zon of van een eikenboom niet herleidbaar is tot zijn werking, zo is ook de grootsheid van een mensenleven niet herleidbaar tot de behoeften die het kan bevredigen. Zelfs hij die zichzelf niet beschouwt als een absoluut doel, komt in opstand wanneer hij behandeld wordt als een middel tot een doel, als ondergeschikt aan andere mensen. De rijken, de mensen van de wereld willen bemind worden omwille van zichzelf, hun wezen, wat dat ook mag betekenen, niet om wille van hun prestaties of bezittingen. Evenmin verwachten de ouden en de zieken hulp om wille van hetgeen zij ons zouden kunnen terugdoen. Wie heeft de invaliden nodig de ongeneeslijk zieken, wier onderhoud een belasting voor de schatkist is? Bovendien is het duidelijk dat de dienst van een persoon aan de samenleving niet zijn hele leven in beslag neemt en derhalve niet het uiteindelijke antwoord kan zijn op zijn speuren naar de betekenis van het leven in zijn geheel. De mens heeft meer te geven dan wat andere mensen kunnen of willen aanvaarden. Te zeggen dat het leven zou kunnen bestaan uit zorg voor anderen, uit onafgebroken dienst aan de wereld, zou platte pocherij zijn. Wat wij aan anderen kunnen geven, is meestal minder en zelden meer dan een fooi.
Er zijn paden in de ziel waar de mens alleen over wandelt, wegen die niet leiden naar de samenleving, een wereld van afzondering, die zich aan de openbare belangstelling onttrekt. Het leven bestaat niet alleen uit vruchtbaar bouwland, maar ook uit bergen van dromen, een ondergrond van verdriet, torens van verlangen, die nauwelijks geheel en al gebruikt kunnen worden ten bate van de gemeenschap, tenzij de mens zou worden veranderd in een machine, waarin elke schroef functioneel moet zijn of moet worden verwijderd. Het is een op woekerwinst beluste staat die de enkeling tracht uit te buiten en alles van de mens voor zichzelf opeist.
En als de samenleving, zoals die in staat belichaamd is, ontaard zou blijken te zijn en mijn poging haar kwalen te genezen vruchteloos, zou mijn leven als enkeling dan totaal zinloos zijn geweest? Als de samenleving besluiten zou mijn diensten af te wijzen en mij zelfs eenzame opsluiting zou opleggen, zodat ik zeker zou sterven zonder in staat te zijn enige invloed uit te oefenen op de wereld die ik liefheb, zou ik mij dan gedwongen voelen mijn leven te beëindigen?
Het menselijke bestaan kan zijn uiteindelijke betekenis niet ontlenen aan de samenleving, omdat de samenleving zelf behoefte heeft aan betekenis. Het is even gewettigd om te vragen: Is de mensheid nodig?, als om te vragen: Ben ik nodig? Menselijkheid begint in de enkeling, zoals de geschiedenis ontstaat uit een enkele gebeurtenis. Ons staat altijd ‚‚n mens tegelijk voor ogen wanneer wij plechtig verklaren: ‘Kwaadwillig jegens niemand, menslievend jegens allen,’ of wanneer wij proberen te vervullen: ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’ Het woord ‘mensheid’, dat in de biologie de menselijke soort aanduidt, heeft een totaal andere betekenis op het   gebied van zeden en godsdienst. Hier wordt mensheid niet opgevat als een soort, als een abstract concept, beroofd van zijn concrete werkelijkheid, maar als een overvloed van specifieke enkelingen; als een gemeenschap van personen en niet als een kudde of massa kleurlozen. Ofschoon het juist is dat het welzijn van allen meer telt dan het welzijn van een, is het de bepaalde enkeling die aan het menselijke ras zijn betekenis verleent. Wij geloven niet dat een menselijk wezen waardevol is omdat het tot het ras behoort; het is het tegenovergestelde: het menselijke ras is waardevol omdat het uit menselijke wezens is samengesteld. Hoewel wij zowel van de samenleving als van de lucht die ons in leven houdt afhankelijk zijn, en hoewel andere mensen het systeem van betrekkingen vormen, waarin ons handelen zich voltrekt, worden wij alleen als enkelingen geconfronteerd met begeerten, angsten en hoopvolle verwachtingen, uitgedaagd, opgeroepen en begiftigd met wilskracht en
een sprankje verantwoordelijkheid.
 

  1. HET GEVOEL VAN INNERLIJKE LEEGTE EN VERVELING

De ouderdom is dikwijls een tijdperk van lijden en verveling. De enige remedie voor
dat lijden is een gevoel van een betekenisvol bestaan. Het gevoel van een betekenisvol bestaan is een zaak van de geest. Stoere daden, spelen, hobby’s, kreten – het zijn allemaal uitvluchten. Nodig is een toenadering, een dicht bij de bronnen van de geest komen. Niet de verdringing van het gevoel van doelloosheid, maar zijn oplossing; geen lectuur om de tijd te verdrijven, maar studie om zijn wijsheid te vergroten is het antwoord; geen vermaak maar viering. Om gevoelig te worden voor een betekenisvol bestaan, moeten wij leren ons te verdiepen in gedachten die verder gaan dan wat we al begrijpen, ons te laten betrekken in daden die zullen leiden tot hogere beweegredenen. Er is een niveau van bestaan waarop men niet meer kan denken in termen van egocentrische behoeften en bevrediging, waar het probleem dat niet tot zwijgen kan worden gebracht, luidt: Wie heeft mij nodig? Wie heeft de mensheid nodig? Hoe treedt men in relatie met een bron van uiteindelijke betekenis? De roep om een dergelijke relatie die in de ouderdom aan kracht int, is een roep om een verwijzing die het persoonlijke bestaan overstijgt. Dit wordt niet beleefd als een behoefte van binnen uit, maar als ene vordering van buiten af. Een betekenisvol bestaan wordt niet afgemeten aan het aantal behoeften die een Persoon opjagen, maar aan de kracht en de diepte van de reactie op een  wijsheid, vergeleken waarbij mijn geest slechts een echo is, aan de ontdekking dat het komende ogenblik een voorgevoel, een vooruitzicht is, wachtend op het ontvangen van mijn bestaan. Een betekenisvol bestaan is het ervaren van ogenblikken in de tijd als een geheeld dat mij insluit.
Een persoon leeft niet alleen door een gevoel ergens bij te horen, maar ook door een gevoel van schuldplichtigheid. De behoefte nodig te zijn, sluit aan bij een feit: er wordt iets gevraagd van de mens, van elke mens. Het klimmen der jaren moet niet worden opgevat als een proces van beëindiging van de behoeften en verbintenissen, die op een persoon drukken. Zijn is gehoorzaam zijn. Een persoon moet nooit ophouden te zijn.
Ons werk voor de bejaarden wordt belemmerd doordat wij ons vastklampen aan het dogmatische geloof in de onveranderlijkheid van de mens. Wij vatten zijn innerlijk leven op als een gesloten systeem, als een automatisch, eensporig, onomkeerbaar proces, dat niet veranderd kan worden, en de ouderdom als een periode van stremming, waarin een persoon binnentreedt met zijn gewoontes, dwaasheden en voor oordelen. Goed zijn voor de ouden is voedsel geven aan hun vooroordelen en buitenissigheden.
Mag ik de gedachte opperen dat het vermogen van de mens tot verandering en groei veel groter is dan wij willen toegeven en dat de oude dag niet beschouwd mag worden als een periode van stremming, maar als de periode van kansen voor innerlijke groei? De oude persoon behoort niet als een patiënt behandeld te worden en hij moet zijn leven als gepensioneerde niet beschouwen als een langdurige toestand van gelatenheid. De jaren van de ouderdom kunnen ons in staat stellen de hoge waarden te verwerven, waar wij ons niet van bewust waren, de inzichten die wij gemist hebben, de wijsheid die wij veronachtzaamden. Het zijn inderdaad vormende jaren, rijk aan mogelijkheden om de dwaasheden van een mensenleven af te leren, om diepgeworteld zelfbedrog te doorzien, om begrip en mededogen te verdiepen, om de horizon van eerlijkheid te verbreden, om het gevoel voor rechtvaardigheid te verfijnen. Men zou de ouderdom moeten ingaan op de wijze waarop men zijn laatste jaar aan de universiteit begint: in gespannen vooruitzien naar de bekroning. Rijk in uitzicht, ervaren in mislukkingen, is de persoon van gevorderde leeftijd in staat om vooroordelen en de opwinding inzake gevestigde belangen af te leggen. Hij ziet niet langer in elke naaste persoon die hem in de weg staat en hij kan ophouden te denken in termen van concurrentie.
In elk bejaardenhuis is er een leider van het welzijnswerk, belast met de zorg voor lichamelijke activiteiten; er zou ook een studieleider moeten zijn, belast met de zorg voor geestelijke activiteiten. Wij staan op minimummaatstaven voor lichamelijk welzijn; wat denkt u van minimummaatstaven voor geestelijk welzijn? De natie heeft behoefte aan universiteiten voor bejaarden, universiteiten voor mensen van gevorderde leeftijd, waar wijze mensen de in-aanleg-wijzen onderwijzen, waar het doel van de studie niet een loopbaan is, maar waar het doel van de studie de studie zelf is.
Opvoeding voor de oude dag. Het doel is niet de oude mens bezig te houden, maar hem eraan te herinneren dat elk ogenblik een gelegenheid is voor edelmoedigheid. Innerlijke reiniging is minstens even belangrijk als hobby’s en ontspanning. Het uitbannen van wrok, van resten van bitterheid, van afgunst en ruzie is stellig een doel dat men moet nastreven. Slechts zeer weinig mensen beseffen dat wij ons in onze jeugd voorbereiden op onze oude dag. Van deze verplichting moeten wij ons zelfs in onze jeugd bewust zijn. Bereid u geestelijk voor op de oude dag en leer die te koesteren. De klassieke gelijkstelling van ouderdom en wijsheid is allesbehalve een misvatting. Een hoge leeftijd is echter geen waarborg voor wijsheid. Een Hebreeuws spreekwoord zegt: ‘Een wijze oude man wordt minder wijs naarmate hij ouder wordt.’ De mensen zijn eropuit wat geld opzij te leggen voor hun oude dag; zij zouden er ook op uit moeten zijn een geestelijk inkomen voor hun oude dag voor te bereiden… Dat klassieke beginsel – luister naar de stem van de ouden – wordt zinloos wanneer de ouden niets zinvols te zeggen hebben. Wijsheid, rijpheid, gemoedsrust komen niet plotseling als wij met pensioen gaan. Wij moeten beginnen met het geven van voorlichting op de lagere scholen over de deugden die bij het klimmen der jaren tot rijpheid komen, over de wijsheid en de vrede die komen in de ouderdom. Eerbied voor de ouden behoort een wezenlijk deel te zijn van de basisopvoeding op school en vooral thuis. Opvoeding voor de oude dag is een levenslang proces.

3.EENZAAMHEID EN ANGST VOOR DE TIJD

Een van de ernstige kwalen van de oude dag en tevens een van de wortels van de algemene vrees voor de oude dag is de angst voor de tijd. Het is alsof men woont op een onherbergzame richel boven een onpeilbare afgrond. Tijd is het enige aspect van het bestaan dat volledig aan de macht van de mens onttrokken is. Wellicht slaagt hij in de verovering van de ruimte, in het brengen van satellieten in een baan rond de maan, maar tijd is immuun voor zijn macht; een ogenblik dat voorbij is, kan General Motors zelfs niet terugbrengen. Omdat de mens gewend is
om te gaan met dingen die hij naar zijn hand kan zetten, is de ontmoeting met de tijd de meest verbluffende schok die hij kan krijgen. In zijn jongere jaren is hij te bezet om daarop te reageren; op zijn oude dag kan tijd een nachtmerrie worden. Wij zijn allen bekoord door de pracht van de ruimte, door de grootsheid van de dingen van de ruimte. Ding is een categorie die ons zwaar op het gemoed drukt, die al onze gedachten tiranniseert. Ons voorstellingsvermogen neigt ertoe alle concepten naar zijn beeld te kneden. In het dagelijkse leven houden wij ons voornamelijk bezig met hetgeen de zintuigen ons aanbieden; hetgeen de ogen waarnemen, hetgeen de vingers aanraken. De werkelijkheid is ‘dingheid’ voor ons en bestaat uit stoffen die ruimte innemen; zelfs God wordt door de meeste van ons opgevat als een ding. Het gevolg van onze ‘dingheid’ is onze blindheid voor alle werkelijkheid die zich niet met een ding vereenzelvigt, met een feit. Dit wordt duidelijk in onze opvatting van tijd, die, omdat hij dingloos en onlichamelijk is, ons onwerkelijk voorkomt. Wij weten inderdaad wat wij met de ruimte moeten doen, maar wij weten niet wat wij met de tijd aan moeten, behalve hem aan de ruimte dienstbaar te maken of hem te verdrijven, de tijd te doden. Maar tijd is leven en tijd doden is moorden.  De meeste van ons lijken te arbeiden om wille van de dingen van de ruimte. Dientengevolge lijden wij aan een diepgewortelde vrees voor de tijd en zijn wij verbijsterd als wij gedwongen worden hem recht de ogen te zien. Voor ons is tijd een bittere hoon, een glibberig, verraderlijk monster met een muil als een oven waarin elk ogenblik van ons leven verast wordt. Omdat wij ervoor terugdeinzen oog in oog met de tijd te komen staan, vluchten wij naar de dingen van de ruimte om een schuilplaats. De voornemens die wij niet kunnen uitvoeren, deponeren wij in de ruimte; bezittingen worden symbolen van onze verdringingen, jubilea van onze ontgoochelingen. Maar de dingen van de ruimte zijn niet vuurvrij; zij voegen slechts voedsel toe aan de vlammen. Is de vreugde om het bezit een tegengif tegen de angst voor de tijd, die groeit tot een afgrijzen van de onvermijdelijke dood? Wanneer dingen vergroot worden, zijn ze vervalsing en van geluk, ze zijn een bedreiging voor onze levens; wij worden meer gekweld dan gesteund door de Frankensteins van de ruimtelijke dingen.  De meeste van ons leven niet in de tijd maar ontvluchten hem; wij zien niet zijn gelaat, maar zijn make-up. Het verleden is of vergeten, of vastgehouden als een gemeenplaats en het nu wordt of versjacherd voor een onnozele snuisterij of vertroebeld door valse verwachtingen. Het nu is een nul en dat is het volgende ogenblik ook en een onmetelijk deel van het leven blijkt een serie nullen te zijn, zonder een echt cijfer ervoor. Blind voor het wonder van het nu, leven wij met de herinneringen aan gemiste ogenblikken, verontrust over de leegte die voor ons ligt. Wij zijn geheel onvoorbereid wanneer het probleem ons in al zijn hardheid overvalt.  Het is onmogelijk voor de mens om het probleem van de tijd te ontlopen. Hoe meer wij denken, hoe meer wij beseffen dat wij de tijd niet door de ruimte kunnen overwinnen. Alleen in de tijd kunnen wij de tijd de baas worden. De tijd is het gewichtigste grensgebied van de mens, het voorterrein van een betekenisvol bestaan, een sfeer waarin de echte vrijheid van de mens te vinden is. De ruimte verdeelt ons, de tijd verenigt ons. Wij voeren oorlogen over dingen van de ruimte; de schatten van de tijd zijn voor elk mens toegankelijk. De tijd heeft onafhankelijke, uiteindelijke betekenis; hij heeft meer majesteit en roept meer ontzag op dan zelfs een met sterren bezaaide hemel. Zachtjes zwevend in de alleroudste van alle heerlijkheden, zegt hij zoveel meer dan de ruimte in zijn gebrekkige dingentaal kan zeggen; hij speelt symfonieën op de instrumenten van afzonderlijke wezens; hij ontsluit de aarde en laat haar gebeuren. Tijd is het proces van de schepping en dingen van de ruimte zijn vruchten van de schepping. Wanneer wij naar de ruimte kijken, zien wij de voortbrengselen van de schepping; wanneer wij de tijd intuïtief waarnemen, horen wij het
proces van de schepping. Dingen van de ruimte vertonen een bedrieglijke onafhankelijkheid. Ze pronken met een vernisje van beperkte houdbaarheid. Geschapen dingen verbergen de Schepper. In de dimensie van de tijd ontmoet de mens God, gaat de mens beseffen dat elk ogenblik een scheppingsdaad is, een Begin dat nieuwe wegen opent naar uiteindelijke verwezenlijkingen. Tijd is de tegenwoordigheid van God in de wereld van de ruimte en binnen de tijd kunnen wij de eenheid van alle wezens ontdekken.
Tijd is eeuwige tegenwoordigheid, eeuwige nieuwheid. Elk ogenblik is een nieuwe aankomst, een nieuwe gave. Te bestaan is op zichzelf een zegen; te leven is op zichzelf heilig.  Het ogenblik is het wonder; door het wonder van het ogenblik  te ontwijken, begint de verveling die in wanhoop eindigt. De oude dag heeft de boosaardige neiging een persoon het heden af te nemen. De bejaarde ziet zichzelf als behorende tot het verleden. Maar het is nu juist openheid voor het heden waarnaar hij moet streven. Het wonder wordt ontdekt in de viering. Hij die leeft met een gevoel voor de Tegenwoordigheid weet dat ouder worden niet tijd verliezen betekent, maar juist tijd winnen. En hij weet ook dat het de hoogste opdracht van de mens is de tijd in al zijn daden te heiligen. Om de tijd te heiligen is er niet meer nodig dan God, een ziel en een ogenblik. En deze drie zijn er altijd. Het wordt nog altijd juist geacht dat de eerste verantwoordelijkheid voor de bejaarde op zijn gezin rust. Deze opvatting vooronderstelt het concept van een gezin dat niet alleen een economische eenheid is, maar ook een wisselwerking van diepgaande persoonlijke verhoudingen. Het stelt zich het gezin niet alleen voor als een samenlevingsproces, maar ook als een keten beslissende daden en gebeurtenissen waarbij alle leden betrokken zijn en waardoor zij innerlijk beroerd worden.
Het is kenmerkend voor het moderne gezin dat ouders en kinderen op het niveau van diepgaande persoonlijke ervaring elk hun eigen leven leiden. De gemeenschappelijke ervaringen thuis zijn oppervlakkig en niet creatief. Vroeger was het de rol van de vader om de kinderen door ogenblikken van vervoering te leiden. Alles wat zich onderscheidde als eerbiedwaardig en verheven werd met de vader in verband gebracht. Nu gaan wij een maatschappelijke structuur binnen waarin de vader overbodig wordt en waarin maar drie leeftijden zijn: de kinderjaren, de rijpere jeugd en de ouderdom. De echtgenoot van de moeder is niet een vader, hij is een fijne
kerel, een speelkameraad voor de jongens, met dezelfde zwakheden en soortgelijke impulsen. Omdat hij noch het erfdeel van het verleden vertegenwoordigt, noch gelijke tred kan houden met de jongens op hun weg naar de toekomst, is zijn positie nogal hachelijk. Vandaag beleven kinderen hun hoogste ogenblikken van vervoering in een kinderwereld, waarin voor ouders geen plaats is. Maar tenzij opnieuw een band van geestelijke ervaring tot stand komt, blijft de ouder een buitenstaander voor de ziel van het kind. Dit is een van de juwelen van de menselijke geest: wij waarderen wat wij delen, wij waarderen niet wat wij ontvangen. Vriendschap, genegenheid wordt niet verkregen door geschenken te geven. Vriendschap, genegenheid ontstaat bij twee mensen die een belangrijk ogenblik delen, door een gemeenschappelijke ervaring te hebben. Men wint niet de genegenheid van zijn jeugdige zoon door hem een dure auto te geven. Het is niet noodzakelijk voor de mens zich te onderwerpen aan de voortdurende aantasting van zijn beste gevoelens en de afbraak van de innerlijke mens als onvermijdelijk te aanvaarden. Het is binnen de macht van de mens om de geheime werkelijkheid te behoeden, die de mensenwereld bijeen houdt.  Wij overwinnen de eenzaamheid niet door te wachten totdat ons kameraadschap aangeboden wordt, maar door kameraadschap en betekenis aan anderen aan te bieden en te geven. De werkelijke band tussen twee generaties vormen de inzichten die zij delen, het waardeoordeel dat zij gemeenschappelijk hebben, de ogenblikken
van innerlijke ervaring, waarin zij elkaar ontmoeten. Een ouder is niet alleen een kostwinner, speelkameraad, onderdak en genegenheid. Een menselijk wezen heeft veiligheid nodig, hij heeft ook inspiratie nodig en vervoering en een bovenzinnelijke betekenis van het bestaan. En voor een kind vertegenwoordigt de ouder de inspiratie, de vervoering en de betekenis. Voor mijn kind ben ik hetzij de belichaming van de geest, hetzij zijn karikatuur. Geen boek, geen beeld, geen symbool kan mijn rol overnemen in de fantasie en in de schuilhoeken van de ziel van mijn kind. Het is gemakkelijk om te spreken over de dingen waaraan wij ons wijden; het is moeilijk om de toewijding zelf over te dragen. Het is gemakkelijk om de wrok die wij koesteren bekend te maken; het is moeilijk om de lof, de aanbidding, het gevoel voor het onzegbare over te dragen. Wij zijn bijna de kunst kwijtgeraakt om op onze kinderen onze kracht om te loven, ons vermogen om de onmeetbare dingen te koesteren, over te brengen.
Dit nu is een zeer dringend probleem: hoe dragen we het onuitsprekelijke erfdeel over, de ogenblikken van inzicht, hoe wekken we onvoorwaardelijke toewijding aan gerechtigheid en mededogen op, gevoeligheid voor de stilte van het heilige, gehechtheid aan geheiligde woorden. Er is geen menselijk wezen dat niet een schat meedraagt in zijn ziel: een ogenblik van inzicht, een herinnering van liefde, een prachtige droom, een oproep tot aanbidding. Om meester te zijn, moet men leren leerling te zijn. Eerbied voor de ouden, een gesprek tussen de generaties is even belangrijk voor de waardigheid van jonge mensen als voor het welzijn van oude mensen. Wij doen onszelf te kort door de ouden te minachten.
Wij moeten wegen zoeken om de traumatische angst voor oud zijn te overwinnen, het vooroordeel jegens, de discriminatie van de bejaarden. Alle mensen zijn gelijk geschapen, ook de bejaarden. Oud-zijn is niet per se oudbakken zijn. Of wij slagen in het herstellen van de waardigheid van de oude dag, zal afhangen van ons vermogen de gelijkstelling van ouderdom en wijsheid te laten herleven. Wijsheid is de waarde waarvan de innerlijke zekerheid van de ouden voor altijd zal afhangen. Maar de verwerving van wijsheid is het werk van een mensenleven.
Oude mensen hebben behoefte aan een visie, niet alleen aan ontspanning. Oude mensen hebben behoefte aan een droom, niet alleen aan een herinnering. Er zijn drie dingen nodig ter verwerving van een gevoel van een betekenisvol bestaan: God Een Ziel En een Ogenblik. En die drie zijn er altijd. Te bestaan is op zichzelf een zegen. Te leven is op zichzelf heilig.
 
BRON:
E.H. van Olst, Groeien in wijsheid. Over ouder worden bij Abraham J. Heschel