Edmond Jabès: De schrift van de woestijn

vertaald uit: Jabès, E., Die Schrift der Wuste. Gedanken Gesprache Gedichte Berlin 1989 (Merve Verlag) 

Ed, of de eerste wolk

Men moet in het boek geloven, om het te schrijven. De tijd van het schrijven is de tijd van dit geloof.

Ik geloof. Ik schrijf; gelooft het boek echter in mij? Kwam men maar zo ver, dat de woorden iemand voor geloofwaardig hielden. Men moet hen een onderpand bieden.

De overeenkomst speelt zich af op het gebied van het geloven.

Er bestaat geen boek buiten zijn overeenkomst met het boek, waarin het geloof ontbreekt.

Geloven, om te groeien.

Vooruitkomen in het boek, zoals men vooruitgaat in ouderdom, zoals men zich kennis toeeigent.

Denken, schrijven betekent zich overeenkomst verschaffen, Schrijven en denken zijn slechts pogingen van overeenkomsten, het zijn approximatie-spellen; elkaar wederzijds aanvullende lichten in de worsteling met hun niets, ten aanzien van het voorwerp.

De ander denken wil zeggen: de overeenkomst duur verlenen.

Er bestaat geen niet gedacht iets, dat overeenkomst heeft.

De tijd tekent de overeenkomst. De eeuwigheid veegt haar uit.

Zwaarder nog als de wereld is het onbekende. Het laat zich niet opheffen.

“Welke kracht zou zich met deze leegte kunnen meten? “vroeg rabbi Basri. “Ze is niets, maar zij alleen houdt al het andere bijeen.”

Het onbekende verdrukt de leegte niet. Het verbluft haar.

Het leven is in bezit van alle kleuren, die ze tot leven brengt; de dood slechts over deze ene, die hij afdwingt.

Schrijver en schilder gaan bij de eerste zonnestraal uiteen.

Een enkele kleur voor de letter, die van de dood. Een enkele dood voor de letter, van die van de kleur. De kleur van de dood is eeuwig: zwarte as en witte as, door water vermengd.

De schrijver zet in op twee kleuren en sterft aan een daarvan.

Een kleur is voldoende om ons te verblinden.

Het wit zal op een dag niet meer kleur, maar alleen nog, eindelijk, afgrond zijn.

“Het zwart zal ons uitroeien”zei hij.

…een boek in de dood van het boek als antwoord op zijn overeenkomst met de dood.

Je speelt op verlies. Je speelt de niet-overeenkomst: het niets zijn van het niets.

De  onleesbaarheid  van het leesbare is misschien het einde van de transparantie.

“Onze overeenkomsten zijn de verzamelde resten van een oneindig uitgedroogd geheugen”zei hij.

De stad vervormt het gezicht, vertroebelt de overeenkomst.

De woestijn geeft ons opnieuw de vergeten trekken.

De woestijn is een goddelijke stoffig geworden spiegel.

Elke beschreven pagina is een ontwarde knoop van zwijgen.

De afgrond is zwijgzaam.

Men schrijft zoals men schildert – met ivoorzwart, dat zoals iedereen weet, als fijn zwart poeder uit een mengsel van ivoor en tot as geworden botten gemaakt wordt.

Het voor-laatste ogenblik van het voor-boek

(Bomen, de groenen, bloemen, vruchten, die gedijen. Armen die zich rekken, en dit lichaam dat verdwijnt als een lachen, dat zich in onder ander lachen heeft uitgeput.

Men neemt zich steeds in het lachen van de dood het leven.

Het lachen van de zelfmoordenaar vrolijkt het niets op.

De hele aarde is in het lachen en het lachen doet de aarde barsten.

“Men mag over mij lachen”, zei hij. “De dood zal mij wreken, want ik, in mijn bottengraf, zal het vereeuwigde beeld van het lachen zijn.”

Nooit sterft men tot zijn vergenoegen.

Het lachen van het leven komt overeen met het lachen van de dood; zoals het ravijn, waarvan op de bodem de hemel ligt, de krater, de vulkanische brok en gebombardeerd.

Het oor neemt het verschil waar tussen kreunen en lachen. Het oog ziet slechts een en dezelfde grimas.

Misschien is het de ziel, die de grenzeloosheid van onze grenzen hun kleur geeft.

Levenden en doden hebben dezelfde horizon voor zich.

Het boek is het werk van een hand).

Tegenover de eeuwigheid is elk leven kortstondig – om te lachen.

De methode

Met tussenpozen verder gaan, zich voortdurend herhalen; ingenomen zijn voor de logica van de dood. 

De dood eren; niet met de schop, niet met de zeis, maar door het woord – schop en zeis tegelijk.

Het graf eren, doordat men het stoffelijk overschot bijbrengt – het boek en het woord. Flonkerende top van de dood. Altijd zal er een ster zijn, die hoger dan de anderen staat. Is de leegte de verbinding?  Maar hoe kan het niets, dat niet eens wolk, bliksem, vurige uitbraak van sterren is,  verbinding zijn; dat alleen lucht was, wind, om de lucht met de lucht te verenigen, om ze te scheiden en weer te verenigen?

Hij zei: “de weg van de blik tot de blik, de hand tot de hand, het woord tot het woord is de verbinding. Uit lucht.”

Meer als de knoop – het touw. Meer als de mond – de stem. Meer als de luchtpijp – de adem; maar ook: meer als het schrijfsel – het blijfsel; meer als het roeispan – het ritme; meer als de schroef – het spoor van het schip.

Zullen we ook deze keer, naar de zee verwijzen? Nooit zijn lichamen zo volkomen verbonden geweest. complexe – spontane – opwellingen van liefde – voeg en graf; veelvoud en duur – in de liefde zelf. De adelaar adelt de regel. De golf bewaart voor de herinnering een vogel.

Ik heb geen voorstellen gedaan, geen verzoek gedaan. Ik liet me door de vraag leiden. Waarheid bestaat enkel in de vorm van een vraag: werkelijkheid alleen in de werkelijkheidsduiding. Wie zal oordelen?

Lezing vooraf

De wereld loopt uit op een boek. Alles komt van het boek. In de eerste band van het boek van de vragen zeg ik: “de wereld existeert, omdat het boek existeert.” Want om te existeren, moet iets benoemd zijn. De benoeming gaat ons vooraf. Deze benoeming is ook het allereerste, die ik probeer terug te vinden; benoeming, die niets anders is dan de bewustwording van wat is, of wat zijn zal. Die dus aan het voorwerp vooraf is gegaan en waaraan zich het universum zal onderwerpen. 

De gedachte die mij bezighoudt, is werkelijk die van het laatste boek, dat we nooit zullen schrijven en dat we proberen te evenaren in al onze boeken, net zoals het universum dat ontstaat elke dag wat meer lijkt op het ongeboren universum. Zo zou dit laatste boek het eerste zijn, maar altijd niet ontcijferd. Het is ongetwijfeld het vermoeden van dit boek, dat mijn boeken hun eenheid geeft, alsof de architectuur en de zin van het boek altijd slechts een fysieke en metafysische toenadering hiertoe is. 

Mallarmé heeft ook over de “pronk van het niets” gesproken en op die wijze eraan herinnerd, dat het de leegte en het niets zijn, die het wonderbaarlijke gebouw verstoppen, waarvan we de voltooiing slechts kunnen vermoeden. Dat is een verdere vormgeving van het eigenlijke, het etymon (=de grondbetekenis van een woord). Zou God niet alleen dit etymon zijn? Ook dat wilde Mallarmé in zekere zin uitdrukken, want hij beweert: “de literatuur, en zij alleen, existeert door uitsluiting van al het andere.” Het mysterie van de schepping ligt in het woord.

Elke schepper stelt voortdurend vragen bij de wereld. Indien de schrijver ons uitnodigt, deze te lezen, schept hij een urgentie – hij dringt op ons aan. In die zin is de lezer bevoorrecht: lezen wil in zekere zin zeggen, dat alles onbepaald te laten, wat niet deze toenadering met voorrang– deze visie – is. Men kan zelfs zover gaan om te zeggen, dat de wereld wacht, als wij lezen. Evenzeer weet de gelovige Jood, die een heilige tekst leest, dat God wacht.

Het lichaam

Wat doodt of wordt gedood – buiten het lichaam? De dood kent alleen het lichaam.

Alle wegen gaan van het lichaam uit en leiden ons er naar terug. Het lichaam is de weg.

De dood is de vijand van de weg

Eens alle wegen doorlopen, is God zonder lichaam. De zon dompelt het universum in het licht, Nergens zul je een spoor van de kring vinden; zelfs een punt zou hier doelloos zijn. Het wit van de tekst.

Het boek

Of de vier tijden van een geboorte

(Hij vertelde dit absurde verhaal, dat elke letter van onze naam een deel van onze levenstijd is en dat de dood ons daarom dag en nacht achtervolgt, omdat de laatste letter, zoals de anderen door onze hand geschreven, ons door zijn eigenaardige zichtbaarheid fascineert. 

Hij zei ook, hij ziet in het feit dat de laatste letter van een voornaam onuitspreekbar is, een vorm van  bevestiging, dat deze letter niet zozeer dood is, maar veelmeer een letter van de dood is. 

En hij voegde hieraan toe: vaak scheidt de letter van de dood die bloeiende letters van een naam van elkaar. De levenstijd, die hen toegestaan werd,  zet hij in zijn zwijgen de eeuwigheid van de tijd tegenover, die de zijne is. 

Als het leven een verhaal is, zo kan ook de dood zoiets zijn. 

Maar de dood is voor het leven. 

Er bestaat dus een verhaal voor het verhaal; een verhaal onder het verhaal, dat zich schrijft – dat misschien hierop antwoordt, indien het zich schrijft.

Uitgezonderd wij beleefden de twee verhalen samen, als een enkel: de vertelling van het leven van onze dood; de vertelling van de dood van ons leven. 

“Op de linker helft van mijn boek kun je de geschiedenis van mijn leven lezen; op de rechter zijde die van mijn dood”, zei een wijs iemand tot zijn leerling, waarvan ik de gesprekken als enige mocht bekend maken. “Mag de geschiedenis van mijn dood de geschiedenis van mijn leven worden. Zo zul je het boek opnieuw beginnen.”

Gaat het avontuur aan de tekst vooraf of de tekst aan het avontuur? En wat is dit avontuur, dat zich meester heeft gemaakt van de tekst en dat hij (de tekst) ons tot leven dwingt, zodat wij in de toekomst alleen nog zijn avontuur leven zullen, dat meer als elk ander het onze is geworden?

Schrijven beoefenen wil zeggen, met betrekking tot je leven een openheid oefenen, waardoor het leven tot tekst wordt. Het woord is de etappe naar het onbekende toe, waar de geest de prijs voor zijn roekeloosheid betalen zal; dit onbekende, zonder welk het denken alleen dode gedachten en nooit de gedachte aan het sterven, aan het meest levende, aan het uiterste van zijn dood zou zijn.

Het zwijgen de woestijn de vraag

“Wij stellen ons de dood voor als een bankschroef, terwijl hij een mussenveer is in de wind.”

De dood, zoals wij hem ons voorstellen, is nooit de dood, die ons van zijn kant erbij betrapt, hoe wij een voorgestelde dood beleven. We spreken met gemak, omdat we niet weten. En dit gemak slaat ook op mijn tekst. Deze mussenveer kan een kleine sleutel zijn, om mijn boek te openen.

De afgrond

De afgrond – wat, buiten de leegte, is hij anders dan de ontkenning van de bergtoppen?

“Het licht klaagt noch de kloof nog de bergkam aan. De schaduw daarentegen, altijd klaar om zich te verdubbelen, wil gauw wieg zijn voor de ster, gauw graf zijn voor de kiezelsteen”, zei hij. 

“In het witte boek – dit wit van de onaangeraakte woorden – welke plaats wordt voor ons daarin gereserveerd? 

Eigenmachtig hebben wij hem bezet. Deze waaghalzerij is een pleidooi voor ons leven”, zij hij ook. En hij voegde toe: “wit is het woord voor het woord, dat zich schrijft.”

“Het onbekende”, had hij genoteerd, “is misschien van datgene, wat je kent, al datgene, wat je nog moet leren kennen. Zo zou de kennis alleen dit kleine onthulde deel van een universeel weten zijn, wat we nooit zullen bereiken. Afgrond. Afgrond.”

Men schept geen waarheid. Ze schept ons.

Men beroept zich op een waarheid, om de leugen te ontkomen, zoals men zich met het leven verbindt, om de dood te verwijderen.

De woestijn II

Men kan zich de woestijn als een rechthoek zonder hoeken voorstellen, als een cirkel zonder omvang, nooit echter kan men zich haar voorstellen als een vierkant of een driehoek; ze als een vierkant voorstellen zou betekenen, haar terstond inmetselen in haar geheugen, ze als driehoek begrenzen zou betekenen, dit niet te begrenzen geheugen een basis aanwijzen en een speerpunt. 

De dood is een draaikolk, wiens leven de luchtmassa zou zijn of de waterhoeveelheid. Passief is, in het gespleten zijn van zijn duur, het leven; dynamisch echter is, in zijn levenswoede, de dood.

De woestijn levert ons het beeld van een wijde, onbeweeglijke eeuwigheid.

Heeft mijn weg een doel? “De zandstormen verblinden ons” zei een wijze, “om ons het lopen te leren, het lopen met gedraaid hoofd, de pas in de voetstappen van degene die voorgaat; want het doel is altijd na het doel.”

De hopeloosheid broedt de hoop uit zoals in de bergen een adelaar, gewond door een kogel van een jager, zijn door bloed rood geworden eieren.

“Als je in de woestijn de zandkorrel zult horen, zoals het jou de geschiedenis vertelt van elke zandkorrel, zul je weten, dat je eindelijk oneindig luisteren geworden bent. Teruggevonden beschikbaarheid!” zei hij. 

Terwijl hij een handvol zand oppakte, zei de nomade: “dit is mijn leven”en, met de andere hand het gebaar herhalend: “en dit is mijn dood. Al het andere is fata morgana.”

Wat is er nog meer toe te voegen voor hem, die alles van mij weet? Ah, dit meer is de macht van het niets, de onmacht van de woord.

De dialoog

Een waarheid onderscheidt zich van een andere enkel door het onderscheid van haar lot.

Tussen het inacceptabele en het bewust geaccepteerde is soms geen speelruimte.

Zoek niet je gezicht in het gezicht van je buurman. Je zou daarin noch het jouwe noch het zijne zien.

Het vuur is nooit alleen het teken, dat het heiligt: vuurteken.

Je zult altijd te laat komen in de lectuur van het boek. Het is de vrucht van zijn eigen ontcijfering.

De stem herinnert zich aan niets. Aan enkele van hen herinner ik mij.

Het niets – noch object van de dood, noch project van het leven – is een zucht; de licht wonde van een ademtocht.

Het leven viert het gezicht; de dood maakt het slap.


 “Wat mij onrechtvaardig lijkt”, zei hij, “is, dat men een dode kan liefhebben. Sterven wil zeggen: plotseling beroofd zijn van de liefde, wiens object men een leven lang was. 

Het heengaan van een wezen dichtbij maakt het ons in een keer vreemd. We hebben verdriet over hem zoals hij was, en niet zoals hij geworden is. Elke poging, elke ontroering is zo een gevoel van het leven. Maar misschien was de dood nooit iets anders dan de beslissende stopzetting van liefde. 

Ik nam om mij heen niets anders dan confuse woordstromen waar. In voortdurende golven stootten ze terug, om zich op de rotsen te breken. O bruisen van het boek, waarvan de uitgestoten schreeuwen door elk van zijn woorden mij verdoven.

Ik vlucht en vergeet daarbij, dat men niet voor de dood kan vluchten.

“Het laatste boek is misschien een pathetische boodschap, die een onbekende in de zee werpt.  En men heeft er vrede mee, haar in een fles oneindig op de golven te laten zwemmen, uit angst, daarin, op basis van haar doorzichtigheid, achter de vertelling van een individuele dood de deemoedige dood van alle woorden te lezen.

Het boek behoed ons niet voor het niets, maar voor het boek”had hij genoteerd. 

De toekomst van de dood ligt in de komende dood.

“Wij stellen ons de dood als een bankschroef voor, terwijl hij een mussenveer is in de willekeur van de wind”, zei hij ook.

De eenzaamheid van de hemel is die van een ster – alleen is de dag en alleen de nacht; de eenzaamheid van de aarde – half in de hemel, half in de modder – is die van een steen.

En de eenzaamheid van de mens?

…misschien de buitengewone eenzaamheid van beiden samen.

Aan de gemeenschappelijke grenzen van het afstand doen, waar de woestijnen zich raken, vindt de dialoog een einde, maar het niets zal, zonder ons, verder spreken: tot het niets.

Lauwe adem van het opnieuw ontstane woord tegen koude adem van het ongestilde zwijgen.

(Je kunt niet vergeten worden. Dat is het dilemma.)

Het wit is doorgang in de dood.

Schrijven zou slechts een vorm zijn van sterven aan de woorden van de eigen dood en het spoor slechts van een voortgaande onthulling van een schaduw, o uiteindelijk wit. Onder dit wit rusten wij. Onder dit onlichamelijke witte gezicht.

De dood is als de hemel, onder. Aan de voet van de ladder. Bovenaan is  hoge vlucht, de ziel, het leven.

Vallen wil zeggen de dood doormeten. 

Val. Graf: een kunstmatig gevuld gat.

 Is misschien het blauw van de hemel de keerzijde van de nacht? Wie echter haalt de door inkt zwart geworden woorden terug? Schrijven wil in dit geval zeggen, met elk teken en nieuwe dag wijden, waarvoor het woord ontstaat.

Met de hoop is men nooit klaar

Bron:

Jabès, E., Die Schrift der Wuste. Gedanken Gesprache Gedichte Berlin 1989 (Merve Verlag)